RICHARD RORTY Piet Romeijn, januari 1997
Het viel mij op dat Rorty vaak genoemd wordt door schrijvers over uiteenlopende onderwerpen. Dat was voor mij de aanleiding om wat meer over hem aan de weet te komen, en mijn onderwerp voor vanavond te veranderen. Ik moet bekennen dat ik geen hele boeken van Rorty heb gelezen, alleen fragmenten en citaten. Wat ik over hem heb gelezen, komt in essentie in mijn verhaal te voorschijn, en wat uitgebreider in de bijlage. Richard Rorty is een Amerikaanse filosoof, geboren in 1931. Was van 1961 tot 1982 verbonden aan de Princeton University, en is sinds 1982 Kenan Professor of Humanities aan de Universiteit van Virginia. In het begin van zijn filosofische loopbaan hield hij zich bezig met taalfilosofie, net als vele andere post-moderne filosofen. Zijn boek The Linguistic Turn uit 1967 is op dat vakgebied een klassieker geworden. In 1979 werd hij in één klap het ‘enfant terrible’ van de hedendaagse filosofie in Amerika en Europa door zijn boek Philosophy and the Mirror of Nature. (Filosofie en de Spiegel van de Natuur). Hij ondermijnde daarmee een belangrijk element uit de moderne filosofie (de filosofie sinds ongeveer de Verlichting), ongetwijfeld voortbouwend op zijn taalfilosofie. Daar ga ik direct op in. In 1982 verscheen zijn boek Consequences of Pragmatism. Daaruit bleek zijn toegenomen belangstelling voor Europeanen als Heidegger, Derrida en Foucault. Opnieuw kritiek op traditionele kennistheoretische en metafysische denkbeelden, maar nu maakte hij ook een wending van taalfilosofie naar cultuurfilosofie en politieke theorie. Hij bezint zich o.a. op de consequenties van zijn eerdere werk op ons beeld van de westerse samenleving . In 1989 verschijnt zijn boek Contingency, Irony and Solidarity, (Contingentie, Ironie en Solidariteit), en de Nederlandse bundel Solidariteit of Objectiviteit. Dit boek van Rorty is een uitwerking van zijn eerdere boeken. In 1993 heeft hij een lezing gehouden in Nederland en in Filosofie Magazine werd toen een interview met hem afgedrukt. Dat staat ook in het boekje Denkers van deze tijd. HET DENKEN VAN RORTY: • HET HOOFDTHEMA is niet in één woord te vangen. Het is zoiets als anti-fundamentalisme, anti-absolutisme, geen metafysische axioma’s meer Hij vindt dat de rol die de filosofie zichzelf de laatste paar eeuwen heeft toegedacht, zijn beste tijd gehad heeft. De sinds eeuwen populaire metafoor van de weerspiegeling van de werkelijkheid in ons denken spiegelt ons iets voor waarvan wij in waarheid niets kunnen weten. De pretentie dat de filosofie ons een universele grondslag zou kunnen geven voor waarheid en moraal, is bezig te verdwijnen. En dat is maar goed ook, zegt Rorty. Want we zitten met ‘de puinhopen van een gepolariseerde liberale maatschappij-theorie’. Gepolariseerd omdat de puinruimers nota bene diametraal tegengestelde uitgangspunten hebben. Aan de ene kant de aanhangers van de ‘Letztbegründung’ (zoals Habermas b.v.), die het hebben over ‘onvervreemdbare mensenrechten’ en over ‘enig juiste oplossingen’ van onze morele en politieke problemen. Met vanouds als basis universalisme en vertrouwen in de Rede. Aan de andere kant de pragmatici, die hun politiek-filosofische ideeën focussen op het hier en nu van een gegeven situatie. Die hebben geen behoefte aan metafysische legitimaties. Alle pogingen daartoe leiden alleen maar tot onvruchtbare, want onbeslisbare discussies. Rawls is een voorbeeld van zo’n pragmaticus. In het dagelijkse spraakgebruik is ‘pragmatisch’ wel eens zoiets als ‘het doel wettigt de middelen’, maar in de filosofie is Pragmatisme vooral een waarheidstheorie die zich richt op het functioneren van uitspraken en theorieën, liever dan zoeken naar een absolute waarheid. Heel kort gezegd: ‘Waar is wat werkt’. U vindt een Amerikaanse beschrijving van het pragmatisme in de bijlage. Ik laat het aan de vakfilosofen over of Rorty wel of niet als pragmatist moet worden gelabeld, maar in ieder geval denkt hij in de publieke sfeer geheel pragmatisch. (Hij maakt namelijk onderscheid tussen de publieke sfeer en de privé sfeer). VERDERE SLEUTELWOORDEN ZIJN:
• vocabulaire Bij Rorty betekent vocabulaire niet alleen maar woordenschat, maar het totaal van de betekenissen die ze voor de gebruiker hebben. Ieders taal is als het ware geladen met de wereldbeschouwing van de gebruiker, niet eens altijd bewust. En dus zijn de betekenissen bijna altijd voor de toehoorders anders dan voor de spreker en voor de lezers anders dan voor de schrijver. Het zijn de verschillen die Wittgenstein bedoelt als hij het over taalspelen heeft. Als twee mensen dezelfde woorden gebruiken, maar met verschillende betekenissen, praten ze langs elkaar heen. Een vocabulaire, aldus Rorty, kan niet gefundeerd of gelegitimeerd worden door een beroep op iets buiten de taal. Alles speelt zich binnen de taal af. . Citaat van Rorty (mijn vertaling): Alle mensen dragen een woordenschat bij zich die ze gebruiken om hun handelen, hun geloofsopvattingen en hun levens te rechtvaardigen. Het zijn de woorden voor het loven van onze vrienden en het verachten van onze vijanden, voor onze lange termijn plannen, onze diepste zelftwijfels en onze hoogste verwachtingen. Het zijn de woorden waarin we ons levensverhaal vertellen, soms vooruitziend en soms terugblikkend. Ik zal deze woorden de ‘final vocabulary’ van een persoon noemen. (All human beings carry about a set of words which they employ to justify their actions, their beliefs, and their lives. These are the words in which we formulate praise of our friends and contempt for our enemies, our long term projects, our deepest selfdoubts and our highest hopes. They are the words in which we tell, sometimes prospectively and sometimes retrospectively, the story of our lives. I shall call these words a person’s ‘final vocabulary’.)
• contingentie en ironie Contingentie, toevalligheid, is de term waarmee Rorty aanduidt dat er in principe geen twee dezelfde vocabulaires bestaan. Hij bepleit de ‘ironische’ filosoof, die zich steeds bewust is van die contingentie. Die kijkt dan niet verticaal (naar funderingen boven of beneden), maar horizontaal. En hij ziet dan geen onveranderlijke ideeën of begrippen, maar concrete personen, met eigen ideeën, eigensoortige boeken, uiteenlopend gedrag, uiteenlopende ideeën. Dat sluit de dialoog volstrekt niet uit, maar die moet dan niet gaan over het zoeken naar een gezamenlijke waarheid, maar over het zoeken naar wegen om op het hier en nu gepast te reageren. Dan wordt de uitspraak van Rorty begrijpelijk dat waarheid niet wordt gevonden, maar gemaakt. • solidariteit Met de pet van cultuurfilosoof op vraagt Rorty zich af wat het antwoord moet zijn op hedendaagse sociale problemen als we universele waarheden en universele bronnen voor moraal verwerpen. Zijn antwoord is: een ongefundeerd streven naar solidariteit. Niet gebaseerd op diepe wijsgerige inzichten, maar verbonden met een ‘ironisch’ besef van de contingentie van onze vocabulaires. In concretere termen spreekt hij over vermijding van wreedheid, medeleven, inleving in de ander, blijven praten en zoeken tot men het eens is geworden over waarheden of uitgangspunten voor de concrete situatie. Hij ziet goede kansen voor een samengaan van het Amerikaanse pragmatisme (zonder ‘methode’) en de Europese filosofie (zonder diepzinnigheid) Voor zover ik het kan bekijken, is zijn filosofische basis zijn eerste boek over de Mirror of Nature, dat uiteraard sterk steunt op zijn taalfilosofie. Hij betreurt dat de westerse filosofie, van Descartes tot en met de hedendaagse analytische filosofie, zich heeft opgeworpen als zoeker naar een methode om vast te stellen wat echte of niet-echte kennis is en wat waarheid is. Na Dewey, Nietzsche, Wittgenstein, Heidegger, Gadamer en Kuhn vindt hij het idee van de spiegelende geest niet meer plausibel en niet meer bruikbaar. Zelfs in de natuurkunde breekt dit besef door. Kennis is geen spiegel, maar een instrument, waarmee we aan onze realiteit vorm en inhoud geven. Waarheden worden niet gevonden maar gemaakt. Niet door ieder individu afzonderlijk, maar collectief, in vaak moeizame discussies over de concrete problemen van onze hedendaagse cultuur. Als de filosofie zich wat meer zou losmaken van abstracte kennis- en rechtvaardigingskwesties, zou ze aan zulke discussies zeer relevante bijdragen kunnen leveren. Gehoord die sleutelbegrippen, kun je je afvragen: Hoe moet het dan met de moraal? Kan een samenleving functioneren zonder moraal? Wat heb je aan zo’n pragmatische windwijzer? Ik zal niet proberen dat in mijn eigen woorden te beantwoorden, maar in woorden van anderen die over Rorty schrijven. •••••••••••••••••••••••••
Wat mij bij het bladeren door Internet opviel was dat er veel over hem geschreven wordt, ook door niet-filosofen. Ergens wordt b.v. een serie van 20 essays in één keer genoemd. Ook opvallend is dat zijn gedachtengoed op andere gebieden dan alleen filosofie doorwerkt . Toen ik met een zoeksysteem op Internet naar Rorty aan het zoeken was, kwam er zelfs een song van de groep Last Tango te voorschijn. U vindt het compleet in de bijlage. Het lied heet ‘Before I read Rorty’. De eerste vier coupletten vertellen van de Wiener Kreis, van Popper die zo zijn best deed om het begrip waarheid overeind te houden, van Kuhn die stelde dat wetenschappelijke paradigma’s niet meer dan tijdelijke afspraken tussen vakgenoten zijn, van het deconstructivisme van de postmodernen, en van de onzekerheid die de taalfilosofen zaaiden. Dan komen de laatste drie coupletten: Along came Richard Rorty / looking oh so cute Now we can sit / at our desks at night No plan...No meaning / not even metaphor / no plan /
•••••••••••••••••••••••••
Ik ben in metafysica minder geïnteresseerd omdat de vraag ‘Wat kan ik weten?’ voor mij minder belangrijk is dan de vraag ‘Hoe moet ik leven?’. Vandaar dat ik met genoegen een stukje weergeef uit het boek van Verbeek, Wikken en wegen, inleiding in de ethiek, het hoofdstuk over Moraal en Maatschappij. (Het zijn haar woorden, alleen door mij wat samengevat als ze wijdlopig werd): Nu allerlei zekerheden van vroeger op goede gronden worden aangetast, zoeken we des te harder naar aspecten die van blijvend belang zijn inzake moraliteit. Er wordt tegenwoordig vaak geklaagd dat het ‘goede leven’ van het individu los raakt van de gemeenschap. Hoe vinden we een redelijke consensus t.a.v. elkaars belang en het gemeenschappelijke belang? Het begrijpen van de werkelijkheid vanuit één beginsel, God, de Rede, de Natuur, het Bewustzijn, is vervangen door differentiedenken, pluralisme (als tegenhanger van totalitarisme). Allesomvattende systemen en totaalvisies hebben afgedaan. De mening over de noodzaak van een moraaltheorie is vervangen door de mening dat moreel goed gedrag in eerste instantie berust op het vermogen elkaars welbevinden waar te nemen, ‘morele sensibiliteit’. Die hoopt men door opvoeding op te wekken Rorty is iemand die pleit voor extra nadruk op het ontwikkelen van dat vermogen tot medeleven. Volgens hem moeten we kiezen òfwel voor een ethiek van solidariteit met een bepaalde groep mensen met wie men een bepaalde vocabulaire deelt, òfwel vasthouden aan objectieve uitgangspunten. Rorty noemt zichzelf een ‘ironicus’ die inziet dat er geen zekerheid bestaat over hetgeen men denkt en vindt. Kennis is geen afspiegeling van de natuur in onze geest. Kennis wordt door mensen in samenwerking met elkaar gemaakt, voor een bepaald doel, in een bepaalde situatie. Daardoor is kennis gebonden aan de sociale en historische context. Elke overtuiging is contingent, toevalligerwijs. (Dit soort warsheid van absoluutheden is een typerend kenmerk voor het postmoderne denken). Kennisuitspraken zijn vervat in taal, maar ook taal is mensenwerk. Het heeft geen zin te zoeken naar universele waarheden, want we blijven gevangen in onze eigen taal en ons eigen denken. Onze theorieën zijn spiegels van onszelf, niet van een absolute werkelijkheid buiten ons. Rorty schetst pragmatisch een voorbeeldsamenleving waarin elk individu zichzelf op vrije, creatieve wijze kan verwerkelijken (self-creation) en solidariteit de rechtvaardigheid waarborgt (dat is volgens Rorty bevrijding van de zwakken van onderdrukking door de sterken). Amerika en delen van Europa komen al een eind in die richting. Vrijheid en solidariteit zijn bij Rorty geen fundamenten, maar te benaderen waarden. Voor Rorty staan pragmatisme en ‘etnische solidariteit’ centraal in de vocabulaires die bij een democratisch liberalisme horen. Hij erkent dat zijn standpunt van westerse waarden uitgaat, maar slechts is in lichte mate. Het gaat hem er enkel om dat anderen geen wreedheid en vernedering worden aangedaan. Voor hem is democratie een ‘combinatie van een privé narcisme en publieke solidariteit’, waarin de solidariteit voorrang heeft. Die solidariteit berust niet op gedeelde zeden en overtuigingen, maar op de wens om de voordelen van de democratische structuren te bestendigen. Rorty maakt onderscheid tussen publieke moraal en privé moraal. De privé moraal is puur op eigen verwezenlijking gericht (self-creation). Publieke moraal -- die zich uit in eerlijkheid en rechtvaardigheid -- heeft volgens hem geen fundament in de persoon zelf, maar moet worden aangeleerd. Voor solidariteit met ‘vreemden’ helpen geen ethische principes, maar enkel een zich kunnen voorstellen van andermans situatie. Literatuur kan het begrip voor andere opvattingen bevorderen, denk b.v. aan de uitwerking van ‘De negerhut van oom Tom’. We moeten blijven praten met elkaar, van gedachten blijven wisselen, teneinde publieke en privébelangen met elkaar in overeenstemming te brengen. (Commentaar van Verbeek zelf: "Als het in eeuwen niet gelukt is een vast uitgangspunt voor handelen te vinden, heeft het weinig zin om te blijven zoeken. We zijn waarschijnlijk gedoemd ons optreden voortdurend te verdedigen met acceptabele argumenten") •••••••••••••••••••••••••
In het Filosofie Magazine kwam ik een artikel tegen over moderne criminaliteit van Hans Boutellier getiteld DE MORAAL VAN DE KWETSBAARHEID. Boutellier maakt deel uit van het onderzoekinstituut van het Ministerie van Justitie, dat de academische criminologie is gaan vervangen. Hij promoveerde op een dissertatie getiteld Solidariteit en Slachtofferschap. B.v. over de vraag hoe het strafrecht zich nog kan legitimeren in onze pluriforme samenleving, die natuurlijk desondanks een rechtsstaat moet blijven. Hij constateert dat de vraag naar moraliteit niet meer kan worden beantwoord door levensbeschouwelijke instituties en ook niet meer door ideologieën. Solidariteit, volgens hem het centrale streven van de rechtsstaat, kan tegenwoordig niet meer worden gebaseerd op wat voor gemeenschappelijks ook. En dan komt het: volgens Rorty is het ook niet nodig om naar een hoger geordende eenheid te zoeken (God, Natuur, Gemeenschap, Rede (Kant ), Natie, Geschiedenis (Hegel ). Het loutere besef van elkaars kwetsbaarheid is voldoende om een publieke moraal te vestigen. “Are you suffering?” is volgens Rorty de centrale morele vraag van de postmoderne cultuur. Het enige dat in een seculiere liberale samenleving telt, is dat mensen vatbaar zijn voor vernedering, wreedheid, pijn en lijden. De mate waarin we ons gevoelig tonen voor dergelijke ervaringen van anderen bepaalt de moraliteit van onze cultuur. Onze solidariteit is geen waarde op zichzelf, maar is gebaseerd op de (h)erkenning van elkaars mogelijke lijden. (Ik vind het een sterk punt dat Boutellier vanuit een totaal andere benadering tot dezelfde conclusie komt als Rorty) ••••••••••••••••••••••••••••••••••••
In een interview werd aan Rorty gevraagd of hij met zijn nieuwe ideeën de filosofie overbodig wilde maken. Hij ontkende dit stellig, en onderbouwde dat als volgt: - Als er geen Plato was geweest, zouden de christenen het veel moeilijker hebben gehad om uit te dragen dat al wat God van ons wilde, de naastenliefde was.
Even later zegt hij: " Je loopt het risico het gevoel voor eindigheid of tolerantie te verliezen dat je verwerft als je bekijkt hoeveel visies er geweest zijn die een algemeen overzicht van de wereld hebben gegeven, en hoe weinig argumenten je kunt vinden om een keuze te maken voor de ene of de andere visie. Ondanks mijn relatief late teleurstelling in het platonisme ben ik heel blij dat ik jaren heb gespendeerd aan het lezen van filosofieboeken. Ik heb er o.a. iets heel belangrijks van geleerd, namelijk het intellectuele snobisme te wantrouwen dat mij er oorspronkelijk toe aanzette om ze te gaan lezen".
De interviewer heeft het ook over de gehoorde kritiek dat de scheiding tussen privé moraal en publieke moraal onmogelijk zou zijn. Rorty antwoordt dat dat na zijn eerste boek inderdaad zijn belangrijkste probleem is geweest: de spanning tussen enerzijds de individuele zelfverwezenlijking, die tegenwoordig terecht hoog genoteerd staat, en anderzijds de roep uit de samenleving naar morele verantwoordelijkheid. Die twee zaken mogen wat Rorty betreft gescheiden blijven. Iedereen mag immers in zijn eigen tijd zo rationeel of irrationeel zijn als hij wil, als hij er anderen maar geen schade mee berokkent. Rorty citeert Jefferson, die zegt dat het geen pijn doet of je buurman aan géén of aan twintig goden gelooft. Aan de ene kant kan iedereen dus vrij zijn, aan de andere kant solidair. Rorty begrijpt heel goed dat die scheiding tussen publiek en privé kritiek heeft opgeleverd, zeker ook van mensen die hun privé moraal graag tot publieke moraal zouden maken, of die zo’n scheiding gewoon onuitvoerbaar achten.
Dit is een goede plaats voor nog een citaat van Rorty zelf (mijn vertaling): "De vocabulaire van ‘selfcreation’ (privé moraal) is noodzakelijkerwijs persoonlijk, is niet gemeenschappelijk, en laat zich niet beargumenteren. De vocabulaire van rechtvaardigheid (de publieke moraal) is noodzakelijkerwijs openbaar, is wel gemeenschappelijk, en is medium van uitwisseling van argumenten". (The vocabulary of selfcreation is necessarily private, unshared, unsuited to argument. The vocabulary of justice is necessarily public and shared, a medium for argumentative exchange.)
•••••••••••••••••••••••••
Bij van Erp (sociale filosofie) kom ik Rorty tegen in de bespreking van het Algemeen Belang, een onmisbaar begrip in een democratie en een rechtsstaat. Het veronderstelt dat er iets is dat voor alle mensen geldt als het juiste fundament of het juiste belang. Van Erp noemt allerlei ideologische en pragmatische varianten daarvan en noemt Rorty een van de theoretici die het algemeen belang zien als een metafysische gedachte, die niet in een positieve wetenschap thuishoort. Rorty beweert dat de moderne democratie geen enkele filosofische, theoretische of ideologische rechtvaardiging of invulling van Algemeen Belang nodig heeft. Vermindering van wreedheid is a.h.w. het definiërend beginsel van een moderne democratie. Persoonlijke idealen en morele opvattingen hebben namelijk volgens Rorty geen enkele publieke betekenis. De enige publieke relevantie is of iemands gedrag en uitlatingen effecten teweeg brengen die strijdig zijn met het beginsel van vermindering van wreedheid. Als dat zo is, dient dat gedrag verboden of verhinderd te worden. Het beginsel hoeft dus niet filosofisch, maar alleen maar pragmatisch verdedigd te worden. •••••••••••••••••••••••••
Op het Internet vond ik ook de tekst van een inleiding die Rorty in 1996 voor een Unesco filosofisch forum heeft gehouden. Het is interessant om zijn inhoud, maar ook omdat het bijdraagt aan het inzicht in Rorty’s denken. De complete tekst, door mij vertaald, vindt U in de bijlage. De titel is Moreel Univeralisme en Economische Triage. Moreel universalisme is de opvatting dat er één algemeen geldig fundament van moraal te vinden moet zijn, en degenen die dit idee aanhangen, vinden meestal ook dat het het enige fundament is. Hij zet de visies van het universalisme, de godsdienst en de evolutietheorie als bronnen van moraal naast elkaar. Het sinds de Grieken al gekoesterde idee van de ‘natuurlijke’ mens staat op losse schroeven. Hij haalt Nietzsche en James erbij die beide stellen dat het idee van ‘waarheid’ als overeenkomend met de werkelijkheid irreëel is. Dat moreel universalisme alleen maar in een rijke samenleving kan ontstaan. De verschillen tussen de ‘democratische’ James en de ‘aristocratische’ Nietzsche. Hij gelooft dat het in 1900 misschien nog wel, maar nu niet meer mogelijk is om de hele wereld, met zijn explosief gegroeide bevolking, naar het bestaansniveau van het westen te brengen. Technisch niet, economisch niet en financieel niet. Gelijk verdelen tussen arme en rijke landen zou ook de ondergang van het westen betekenen. Wie dat serieus bepleit is hypocriet. Het project van een mondiaal co-operatief gemenebest lijkt hem hopeloos, maar hij hoopt dat hij het mis heeft; want zowel technici als morele idealisten hebben al eerder het schijnbaar onmogelijke toch verwezenlijkt. Hoewel hij dat niet uitspreekt zinspeelt hij naar mijn mening, via de titel van zijn inleiding, op ‘triage’, uitsorteren van de volstrekt kanslozen en de minder kanslozen, en alleen aan die laatste hulp verlenen.. •••••••••••••••••••••••••••••••••••••••
Wat vind ik er zelf van? Gevoelsmatig aantrekkelijk. Naar mijn smaak misschien een opening naar een samenleving met minder problemen dan nu. Maar alléén niet voldoende. Ik denk dan aan Rawls. Die scheiding tussen publieke moraal en privé moraal vind ik uitstekend. Die past naar mijn mening in de heersende trend naar individualisering. Wat mij betreft is het juist dat de metafysica ook uit de publieke sfeer wordt verbannen. Het is een interessante en in de privé sfeer nuttige denksport, hetzij filosofisch, hetzij religieus, maar niet noodzakelijk voor harmonieus samenleven. |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
Mail to promeijn@promeijn.nl |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||