MICHEL FOUCAULT (1926-1984)

door Piet Romeijn, 26.5.2005.

 

Waarom dit werkstuk?

• Omdat het te maken heeft met het onbehagen in de huidige cultuur van het westen.
• Vanwege mijn bewondering voor het 'differentiedenken'. In de filosofie is dat: niet meer zoeken naar één beginsel of grondslag voor alles, zoals b.v. in de metafysica, maar om van bepaalde thema's juist de verschillen te onderzoeken. Het is een kenmerk van de postmoderne Franse filosofie en naar mijn smaak een meer praktische filosofie.
• Als voorbeeld van de invloed van de persoonlijkheid op het denken van de filosoof.

van Structuralisme naar Foucault

Het structuralisme staat met zijn voeten in de linguïstiek, de 'algemene taalkunde', van DeSaussure o.a. Je kunt van taal onderzoeken wat er gezegd wordt, hoe het gezegd wordt, of het effectief overkomt, enz., maar je kunt ook onderzoeken wat aan het gesprokene vooraf gaat, het culturele erfgoed van een taalgemeenschap. In het eerste geval kijk je naar parole, in het tweede geval naar langue. [termen van De Saussure]. De aandacht verschuift dan van de mens naar het a priori, dat wat als conventies en denkstructuren kleur en betekenis geeft aan wat mensen zeggen of schrijven.

Levi-Strauss ging daarop verder met wat hij zelf sociologie noemde en later etnologie of culturele antropologie is gaan heten. Hij vond dat in mensengemeenschappen structuren het gedrag bepalen, en dat de mensen zich daar grotendeels niet of slechts vaag van bewust zijn. Die structuren verschillen per cultuur en zijn veranderlijk, maar iedere structuur heeft steeds zijn eigen grammatica, syntaxis en logica. Wie de logica achter de regels, of liever in de regels heeft gevonden, kan de spreker of schrijver begrijpen. Wie de logica van een mens uit het Stenen Tijdperk niet begrijpt, verstaat diens taal gegarandeerd verkeerd. Het zgn. primitieve denken is niet pre-logisch of nog niet ontwikkeld, maar het heeft een eigen logica, die anders is dan de onze. Sperna Weiland legt dit goed uit in zijn boek op pag. 311-314.

Vakfilosofen noemen Foucault wel eens structuralist, maar hijzelf ontkent dat.

Michel Foucault, biografie

Geboren in 1926 in Poitiers. Zijn grootvader en vader waren chirurg, dus dat moest Michel ook worden. Maar Michel ging zijn eigen weg, ten koste van een blijvend conflictueuze relatie met zijn vader, en een verknochtheid met zijn moeder. In 1946, nog geen twintig, slaagde hij voor zijn toelatingsexamen voor de beroemde École Normale Supérieure. Voor hem begon toen een nieuw leven. Hij studeert geschiedenis, filosofie, psychologie en psychopathologie. Hij leeft moeilijk, is labiel, gesloten en erg op zichzelf. Hij balanceert aan de rand van waanzin en doet in 1948 een zelfmoordpoging. Hij krijgt tenslotte een eigen kamer op de ziekenafdeling van de school; dat geeft hem de rust om verwoed te werken. (K123)

Zijn problemen in die tijd moeten te maken hebben gehad met zijn niet verwerkte en moeilijk geaccepteerde homoseksualiteit. De vraag al of niet in psychoanalyse gaan houdt hem jarenlang bezig. Hij bekent zijn homoseksualiteit aan niemand, ook niet aan vrienden of aan een therapeut. Kleinlugtenbelt denkt dat dat te maken had met de toenmalige benadering van homoseksualiteit als een ziekte en vanwege de repressieve kanten van de toenmalige therapiepraktijk (K124) Pas als veertiger bevrijdt hij zich van het 'normatieve machtssysteem' en de verloocheningspraktijk. In zijn latere werk speelt 'bekennen' een belangrijke rol. Kleinlugtenbelt wijdt een interessante uitweiding over wat een halve eeuw geleden een bekentenis van homoseksualiteit betekende. (K124)

Na zijn afstuderen doceert Foucault op diverse plaatsen buiten Frankrijk. In 1960 keert hij terug naar Frankrijk als hoogleraar psychologie in Clermont Ferrand. In de jaren 60 ontwikkelt hij zich tot een van de belangrijkste Franse filosofen. In 1970 wordt hij benoemd tot hoogleraar in de geschiedenis van de denksystemen aan het prestigieuze Collège de France. De titel van zijn inaugurale rede luidt L'ordre du discours. Hij spreekt met gespannen stem over het spreken zelf, door op een ironische manier zijn spreekangst te benoemen, en zijn aarzeling om van start te gaan. (K128) En gaat dán pas in op zijn leeropdracht. Deze inaugurale rede wordt als de meest toegankelijke inleiding tot zijn denken beschouwd.

Veertien jaar lang geeft hij wekelijks college. Het zijn ware 'happenings', met steeds grotere belangstelling. Kleinlugtenbelt citeert uit een universitaire rapportage heel beeldend de sfeer van zo'n college, in een ouderwetse zaal met 300 plaatsen voor 500 opeengepakte mensen die ieder plekje in beslag nemen.

Op 2 juni 1984 wordt Foucault in het ziekenhuis opgenomen, en daar sterft hij drie weken later aan de gevolgen van aids, 58 jaar oud. (K129) (Ik moet nu denken aan Nietzsche, die op z'n 45e door de waanzin werd overweldigd en 11 jaar later stierf als psychiatrisch patiënt, PR)

Ik citeer een paar uitspraken van Machiel Karskens: Foucault hoorde bij de toptien van de meest geciteerde auteurs binnen de sociale wetenschappen. Hoe kan dat? Dat komt doordat hij spot met de eisen van de systematische filosofie, die scherpe argumenten en heldere begrippen eist. Maar hij doet dat zonder het denken en zijn passie voor waarheid prijs te geven. filosofie van Doucault bestaat niet, maar filosoferen, dat kun je bij hem leren. Zijn filosofiestijl houdt in: 'anders denken', d.w.z. kritiek leveren en tegen de draad in denken. Hij verandert het filosoferen van academisch systeemdenken in kritisch politiek en moreel denken. Het soort denken dat tot zelfverandering kan leiden. (MK)

Rede versus Waanzin

Foucaults eerste twee boeken, 1954 en 1961, heetten Maladie mentale et personalité en Folie et déraison, histoire de la folie à l'âge classique, vertaald als Geschiedenis van de waanzin in de 17e en 18e eeuw. Dat laatste was de hoofddissertatie van zijn promotie in 1961. Hij onderzoekt daarin hoe men in de loop van de tijd de gestoorde mens heeft gezien en geïnterpreteerd. (SpW315) Kenmerkend zijn de twee citaten waarmee hij zijn dissertatie laat beginnen:

(1) van Pascal: "De mensen zijn zo noodgedwongen gek, dat niet-gek zijn alleen maar zou beduiden: gek zijn in een andere waanzin"
(2) van Dostojewski: "Je kunt je niet van je eigen gezond verstand overtuigen door je buurman op te sluiten." (K126)

Foucault reconstrueert hoe tussen de 17e en de 18e eeuw Rede en Waanzin elkaars tegenspelers werden. De rede groeide uit tot wetenschap (in dit geval medische wetenschap) met als gevolg dat de waanzin tot object van kennis en behandeling werd gemaakt. Hij typeert dat als een 'proces van onteigening', waarin de waanzinnige steeds minder zelf aan het woord wordt gelaten. Hij wil "taal en ervaringen van de waanzinnigen zelf" onder het stof vandaan halen en hun eigen verhaal laten horen voordat de wetenschap zich er nog verder meester van maakt. Daartoe gaat hij terug naar de late Middeleeuwen en de Renaissance omdat toen rede en waanzin nog deel uitmaakten van éénzelfde universum en levensuitingen nog niet waren opgedeeld in normaal-abnormaal, gezond-ziek, redelijk-onredelijk. In de woorden van Manschot: Foucault wil de waanzinnigen van object weer tot subject maken. (M)

Kunstenaars en schrijvers, figuren als Jeroen Bosch, Dürer, later van Gogh of Nietzsche, moeten ons terugbrengen bij de ervaringen van mensen die in hun eigen bestaan het gevecht aangingen en uitdrukking gaven aan grenservaringen in hun leven, maar dan zonder de piketpalen van de wetenschappelijke rationaliteit. (M)

Foucault laat merken dat hij door zijn onderzoek verandert. Het motiveert hem om opener en onbevangener over zijn homoseksualiteit te spreken en ook om te zoeken naar andere manieren van leven dan hij thuis en op school had geleerd. (M)

Het voorgaande illustreert mooi het differentiedenken. Dat vraagt aandacht voor wat soms weggelaten wordt om toch maar positieve kennis te kunnen hebben. Bijvoorbeeld waanzin als tegendeel van de rede. Alleen door waanzin uit te sluiten als per definitie onredelijk konden filosofie en wetenschap in de 17e en 18e eeuw positieve waarden van rede en verstand verkondigen en volhouden dat wij reflectieve redelijke wezens zijn. Men maakte van waanzin een geestesziekte en bracht hem aldus tot zwijgen. Pas in de 20e eeuw speelde even het idee dat waanzin berust op een oorspronkelijke en authentieke ervaring, maar dat idee werd snel als bedreiging van de rede weer naar het domein van ziekte verbannen. (MK)

Bij mijn ervaringen met de Universiteit van de Humanistiek was mij al opgevallen dat men daar veel energie steekt in het 'vermenselijken' van de behandeling van mensen in verpleeghuizen en de geestelijke gezondheidszorg, b.v. door onvoorwaardelijke respect voor hun autonomie. Dat sprak mij altijd al aan, maar nu begrijp ik het beter.

De woorden en de dingen.

In 1966 verscheen Foucaults vermoedelijk meest beroemde werk Les mots et les choses. De Nederlandse vertaling verscheen in 1973 met de titel De woorden en de dingen. Volgens SpW is het een moeilijk en geleerd boek, maar is er in de Franse filosofie van de 20e eeuw sinds L'être et le néant van Sartre geen boek geweest dat zo veel furore heeft gemaakt. Het is méér dan een boek over de geschiedenis van het denken, het is ook een boek over de mens. Foucaults verhaal over de mens, die samen met de menswetenschappen aan het verdwijnen is. (SpW316)

Volgens de ondertitel is het een archeologie van de menswetenschappen. Maar archeologie niet in de betekenis van oudheidskunde, maar van het Griekse woord archè, dat betekenissen heeft als 'begin', 'beginsel' dat aan alles ten grondslag ligt of waaruit alles is ontstaan. Zo zochten de pre-Socratische Griekse filosofen de archè van alle dingen. De een zei 'water', de ander 'vuur' of de vier elementen e.d. Foucault zoekt nu: wanneer zijn de menswetenschappen ontstaan, wat is hun grondslag? (SpW316)

Wij hebben gewoonlijk een eenvoudig beeld van de ontwikkeling van wetenschap: aan een hoeveelheid kennis wordt steeds nieuwe kennis toegevoegd; dat is de vooruitgang. Soms ontstaan daardoor nieuwe wetenschappen, zoals b.v. de sociologie en de psychologie in de 19e eeuw. We weten nog niet alles, we zullen misschien nooit alles weten, maar we zullen steeds meer weten, en de methode daarvoor staat vast.

Maar zo simpel is het niet. Om te beginnen is er geen sprake van één wetenschappelijke methode. Dilthey moest al onderscheid maken tussen de natuur- en de geesteswetenschappen toen hij met hermeneutiek aan het knuselen was. Een historicus werkt heel anders dan een biochemicus. En er zijn al wetenschappen waarin de geleerden van mening verschillen over de juiste methode, b.v. in de sociale wetenschappen. Tenslotte zijn er af en toe revoluties die het hele wereldbeeld op zijn kop zetten. Nooit van de ene dag op de andere, maar we kunnen er wel namen bij zetten: Copernicus, Newton, Darwin, Einstein. (SpW317) Thomas Kuhn schreef er in 1962 een invloedrijk boek over. Hij gebruikte het woord paradigma voor het product van zo'n wetenschappelijke revolutie.

Tijdens de Renaissance was er al wetenschap, maar die vinden we nu onwetenschappelijk. Paracelsus b.v. was de grootste geleerde van zijn tijd, maar we kunnen ook aan de alchemisten denken. Ook toen waren er al paradigma's hoe het wetenschappelijke werk gedaan moest worden, hoe dat 'normaal' werd gevonden. Dan komen Copernicus en Galileï en de paradigma's worden vervangen door nieuwe. Dat proces is nog steeds aan de gang. Zolang wetenschappen het goede voorbeeld van de natuurwetenschappen niet kunnen of willen volgen, zijn ze tweederangs en eten ze niet mee uit de financieringspotten. Kuhn wist al dat macht in de wetenschappelijke 'vooruitgang' een niet bepaald wetenschappelijke en zelfs bedenkelijke rol speelt. (SpW318)

Vervang het woord 'paradigma' door het Griekse woord epistèmè en de overgang van Kuhn naar Foucault is gemaakt. Epistèmè betekent van huis uit 'kennis', vooral wetenschappelijk verantwoorde kennis, maar bij Foucault is de betekenis wat breder. De epistèmè van een bepaald tijdvak is bij hem niet alleen de wetenschap van die tijd, maar ook wat het leven en denken, en het discours van de mensen in die tijd [ongemerkt] bepaalt. Hij onderscheidt drie tijdperken (1) de Renaissance, (2) de klassieke tijd (ca 1650 - ca 1800) en (3) de moderniteit (na ca 1800). Die hebben alle drie hun eigen epistèmè, met breuklijnen ertussen. (SpW318)

Tijdens de Renaissance konden de mensen niet anders denken dan ze deden. En in de klassieke tijd schreef Spinoza weliswaar zijn revolutionaire Ethica, maar de epistèmè van zijn tijd bepaalde wat hij kon denken en wat niet. Soms noemt Foucault de epistèmè het a priori van ons denken, omdat het er altijd aan vooraf gaat. (SpW319) Voor het ontstaan van telkens nieuwe epistèmè heeft Foucault geen verklaring. Hij noemt het énigmatique, raadselachtig. Het gebeurt, dat is alles. De historicus kan alleen de gevolgen laten zien.

Foucaults manier om naar de geschiedenis van het denken te kijken leidt tot vérstrekkende conclusies:

(1) Er is geen continue vooruitgang in onze kennis. Die is er zolang een epistèmè stand houdt, maar zodra een nieuw epistèmè verschijnt, moeten we als het ware opnieuw beginnen.
(2) Wat een paradigma 'waar' verklaart, kan in het volgende paradigma onwaar geworden zijn. Daarmee vervalt de aanspraak op waarheid van de wetenschappen en dat geldt ook voor de filosofie. 'Niets is waar' was een uitspraak van Nietzsche, maar die zou ook van Foucault kunnen zijn.
(3) De 'decentrering' (verwijdering uit het centrum) van de mens als subject, begonnen met de structuralisten, wordt door Foucault voortgezet. Meer en meer zien we wetenschappelijk
discours met auteurs die nauwelijks van het discours te onderscheiden zijn. Die zijn dan zoiets als de naamloze bouwmeesters van de kathedralen in de Middeleeuwen. Wie daar even bij stilstaat, begint te vermoeden wat Foucault bedoelt met zijn uitspraak dat 'de mens verdwijnt'.
(4) Met de mens verdwijnt ook de vrijheid die de existentialisten aan de mens hadden toegedacht. We zitten 'opgesloten' in structuren die we niet zelf hebben bedacht en die we niet kunnen veranderen. Er is nog wel ruimte om te kiezen, maar binnen de piketpalen van het
epistèmè van onze tijd. (SpW319) [Dit aspect komt straks terug bij het thema levenskunst. PR]

Foucault gebruikt het woord 'postmodern' nog niet. Dat schijnt Lyotard pas in 1979 ingevoerd te hebben. De historische hoofdstukken getuigen van de onwaarschijnlijke eruditie van Foucault, die alles gelezen lijkt te hebben. (SpW320)

SpW begint zijn beschrijving van Les mots et les choses met twee citaten:

"Het is geruststellend en het stemt tot een diepe tevredenheid te bedenken dat de mens niet meer is dan een recente uitvinding, een figuur die nog geen twee eeuwen bestaat, een simpele plooi in ons Weten, en dat hij zal verdwijnen zodra dat een nieuwe vorm heeft gevonden." en:
"De mens is een uitvinding waarvan de archeologie van ons denken zonder moeite aantoont dat zij niet lang geleden is gedaan. En misschien ook, dat hij weldra zal eindigen."

De mens is dus nog geen twee eeuwen geleden 'uitgevonden', zo ergens bij de overgang van de klassieke tijd naar de moderniteit? Wat moeten we met die raadselachtige mededeling, en wat bedoelt Foucault met de even raadselachtige uitspraak dat de mens weldra zal eindigen? (SpW)

SpW doet zijn best. Kant zegt tegen het eind van zijn leven, rond 1800 dus, dat de drie vragen waarop hij een antwoord heeft gezocht — wat kan ik weten, wat moet ik doen, wat mag ik hopen — zich in één vraag laten samenvatten: wat is de mens? Toen werd de mens hét onderwerp van filosofie en wetenschap. Het is niet toevallig dat Kant de eerste wijsgerige antropologie heeft geschreven. En ook niet toevallig dat Foucault de Anthropologie in pragmatischer Hinsicht van Kant heeft vertaald met een mooie inleiding erbij. (SpW320) De vraag naar de mens van Kant is het grote symbool — en meer dan dat — van de moderniteit. (SpW321)

Verder waren het de menswetenschappen — tot begin 19e eeuw onderdelen van de filosofie — die zich in de loop van die eeuw verzelfstandigden naast de natuurwetenschappen. Toen kwam naast de psychologie, sociologie, antropologie e.d. ook nog de wetenschap van de geschiedenis tot volle ontwikkeling, die de mens in beeld bracht. In Foucaults 'archeologie' was die waaier van wetenschappen het gevolg van de epistèmè van de moderniteit. De geleerden voegden zich daarnaar zonder te weten dat hij bestond, want een epistèmè kan altijd pas achteraf worden herkend en beschreven. (SpW321)

Natuurlijk is er al sinds het Gilgamesj epos over de mens gedacht. De mens hoefde echt niet te worden uitgevonden. Toch vertelt Foucault geen onzin, want pas bij Kant convergeerden alle filosofische vragen naar de mens. Niet in de dingen, niet in de wereld, niet in de voorstellingen, maar in de mens heette toen de voorwaarde te liggen voor de mogelijkheid van al het weten. (SpW321)

Wie historisch heeft leren denken, accepteert dat ook de epistèmè van de moderniteit ooit door een andere zal worden vervangen. Misschien is die er zelfs al zonder dat we het weten, maar kennen we hem nog niet, omdat de uil van Minerva net als bij Hegel pas in de avondschemering uitvliegt. Het vermoeden van Foucault is dat de nieuwe epistèmè al in het denken van Nietzsche is begonnen. Foucault stelt dat mét het einde van de moderniteit ook de mens zal verdwijnen "als een op de grens van zee en zand getekend gezicht." (SpW321) Sperna Weiland laat zijn boek niet voor niets beginnen met Nietzsche.

Volgens SpW hebben we nu ongeveer alles in handen wat we nodig hebben om een volgend fragment van Foucault te begrijpen:

"In onze tijd — en ook hier is het Nietzsche die van verre aankondigt wat er gaat veranderen — is dat wat wordt vastgesteld niet zozeer de dood van God als wel het einde van de mens (die kleine, nauwelijks merkbare verschuiving waardoor de eindigheid van de mens zijn einde is geworden). Dan wordt duidelijk dat de dood van God en de laatste mens bij elkaar horen. Is het niet de laatste mens die zegt dat hij God heeft gedood en die zodoende zijn eigen woord, zijn denken, zijn lachen de plaats laat innemen van de God die dood is? Is hij het niet die zich uitgeeft voor degene die God heeft gedood en wiens bestaan de vrijheid en de beslissing van Hem te doden in zich sluit? De laatste mens is dus tegelijkertijd eerder en later dan de dood van God. Omdat hij God heeft gedood, moet hij zelf de verantwoordelijkheid voor zijn eindigheid op zich nemen, maar omdat hij spreekt, denkt en bestaat in de dood van God, moet zijn moord zijn eigen dood tot gevolg hebben. Nieuwe goden, dezelfde, bewegen nu al de toekomstige oceaan. De mens gaat verdwijnen. Meer dan de dood van God — of liever: op het spoor van zijn dood en in een diepe correlatie ermee — kondigt het denken van Nietzsche het einde van zijn moordenaar aan ..... In de hele 19e eeuw vielen het einde van de filosofie en het ophanden zijn van een nieuwe cultuur samen met het denken van de eindigheid en de verschijning van de mens in het weten. In onze tijd bewijst het feit dat de filosofie nog steeds aan het verdwijnen is en dat in haar, maar meer nog buiten haar om en tegen haar in, in de literatuur en in de formele reflectie, de vraag naar de taal wordt gesteld, dat de mens verdwijnt."

SpW vindt deze tekst raadselachtig. In zijn commentaar merkt hij droogjes op dat er nogal wat exegetisch geweld nodig is om dit allemaal in de teksten van Nietzsche te vinden, maar dat Foucault tegen zulk geweld nooit heeft opgezien. (SpW322) Bij de verdwijning van de mens moeten we natuurlijk niet denken aan fysieke vernietiging. De mensheid zal heus wel blijven bestaan. Wat verdwijnt is de mens in de zin van het eigenmachtige autonome subject dat in vrijheid zijn wereld ontwerpt. (SpW323)

In het citaat kijkt Foucault even achterom naar die verdwijnende epistèmè van de moderniteit. Het is niet moeilijk daar een paar namen bij te zetten. Kant met zijn visioen van eeuwige vrede, maar vooral Hegel en Marx met hun verhalen over het Rijk van de vrijheid dat gekomen is (Hegel), of dat er weldra zal zijn (Marx). Met het verdwijnen van de moderne epistèmè is ook de tijd van zulke grote verhalen voorbij. (SpW323)

Staande op de rand van een nieuwe cultuur, al vervreemd van de moderniteit, dus zonder de mens, zonder God, spreekt Foucault een vermoeden uit. Dat de nieuwe epistèmè niet zal zijn de kosmische orde van de verdwijnende moderniteit, maar de taal. Soms waagt hij zich zelfs wat verder, vermoedelijk in een richting van een configuratie van linguïstiek, etnologie en psychoanalyse. Niet Foucault, maar Sperna Weiland noemt daar namen bij als De Saussure, Levi-Strauss en naast Freud ook Lacan. (SpW324)

Karskens ziet het boek o.a. als een aanval op de pretentie van algemene geldigheid van waarheid, die sinds Plato centraal staat.Foucault schreef zijn boek niet als een filosoof, maar als een historicus, en constateerde dat er verschillende rationaliteiten en objectiviteiten hebben bestaan in de loop van de tijd, met verschillende denksystemen, wereldbeelden en paradigma's. We mogen dus niet spreken van één rationaliteit, of van vooruitgang van wetenschap. Zo kom je vanzelf tot het pluralisme dat in al het werk van Foucault terug te vinden is, ook van waarden en waarheden dus. Foucault breekt met de opvatting dat er sprake moet zijn van één rede, van autonome subjecten en van absolute waarheden. Zo krijgt hij zijn plaatsje in de rij van sceptici, cynici, empiristen en cultuurcritici, van wie Nietzsche voor onze tijd de voorman is geworden. (MK)

Disciplinering

In 1969 verschijnt van Foucault L'archéologie du savoir, een commentaar op Les mots et les choses en een antwoord op de vele kritieken. Vervolgens zijn inaugurale rede over L'ordre du savoir in 1970, en dan is het een poosje stil. In 1975 verschijnt Surveiller et punir over het ontstaan van de gevangenis. Het gaat over de macht die zich toont in disciplinering, over institutionele praktijken, en over lichamen die zich hebben te schikken. Terugkijkend op zijn eigen werken constateert Foucault dat die al veel eerder over macht hadden moeten gaan.

Mensen worden in het gezin, in de kerk, in de school, in het leger, en helemaal in de gevangenis in de maatschappelijk gewenste vorm gekneed. Het doel is dat ze 'normale' mensen worden. Het Franse strafrecht spreekt over maisons de correction, het Italiaanse ook. Wat in de gevangenis wordt gedaan, gebeurt in minder extreme vorm overal, berustend op een samengaan van savoir, weten, en pouvoir, macht. De pedagogische, psychologische, psychiatrische, criminologische, seksuologische en medische wetenschappen produceren haast onweerstaanbare machtsstrategieën. Het resultaat is assujettissement, een onderwerpen dat tegelijkertijd zich onderwerpen is. (SpW325)

Volgens SpW gaat het Foucault niet om een theorie van dé macht, want die — ooit in handen van de koning — bestaat niet meer. Hij doelt op een onophoudelijk duwen en trekken, dat maar zelden het gewenste machtsevenwicht oplevert. De gevangenis is alleen maar het extreme voorbeeld daarvan. (SpW326) (In de Nederlandse politiek wordt dat duwen en trekken heel mooi verwoord door de bijdrage van Herman Tjeenk Willink (vice-president van de Raad van State) in de publicatie 86, 2002 van het Nederlands Gesprek Centrum Haagse tegenstrijdigheden. PR)

Bevrijding

Toch zit er in iedere assujettissement, hoe extreem ook, altijd ook nog een onmiddellijke ervaring van vrijheid, de ontologische voorwaarde voor ethiek. In zijn laatste boeken, in de jaren 80, keert Foucault terug naar de ethiek. Niet ethiek in de klassieke zin, met gedragsregels en zo, maar meer een ethos. Er zijn dingen waarvan we intuïtief weten dat ze niet kunnen, grenzen die we weten te moeten respecteren. Ook het toeval moeten we met enige gelatenheid ondergaan. Het gaat er om een moeilijk te definiëren levensstijl te vinden. Foucault zegt zelfs, en dan lopen het ethische en het esthetische in elkaar over, dat wij van het leven, dat bonte weefsel van 'feest, toeval, lust, geweld' een kunstwerk moeten maken. Dan zitten we al dicht bij een utopie. In een nieuw samenstel van savoir en pouvoir ontstaan nieuwe subjecten, maar het kunstwerk is nooit af en de vrijheid, onmisbaar voor iedere ethiek, zal er nooit helemaal zijn. Dat is de tragiek van het menselijk bestaan. (SpW327)

SpW eindigt zijn hoofdstuk over Foucault met een vraag, in de vorm van een onverteerbare lange zin van een halve pagina. Mijns inziens een suggestie om ook te luisteren naar andere moderne denkers, van Marx tot en met Sartre, Marcuse en Habermas, die niets anders willen of wilden dan wat Foucault wilde. (SpW327) Ik denk dat hij daar gelijk in heeft, maar ik vind het erg jammer dat we nooit zullen weten wat het denken van Foucault nog zou hebben opgeleverd als hij niet zo jong gestorven was.

Uit Karskens: Foucault heeft de term macht (pouvoir) nooit gedefinieerd. Hij gebruikt de term op een diffuse manier voor politieke en maatschappelijke controle en ordening, met begrippen als dwang (répression), overheersing (domination) en beheer (gouvernement). Hij presenteert een nieuwe machtsopvatting, die laat zien dat disciplinering en normalisering de moderne machtsmiddelen zijn waarmee onze staat en samenleving bestuurd worden. Niet alleen de gevangenis, maar ook het ziekenhuis, de fabriek en de moderne school zijn erdoor gevormd. Het hele moderne maatschappelijke systeem is een alomvattend machtssysteem geworden, dat zo perfide geconstrueerd is dat mensen willoos slachtoffers worden van anonieme en hen onderdrukkende denkbeelden en praktijken. Zijn 'model' veronderstelt een permanente 'weerspannigheid'. zeg maar verzet. Macht en weerstand tegen die macht zijn dus elkaars complement; hun verhouding is het domein van de politiek. (MK)

Foucault moest voortdurend de indruk bestrijden dat de mensen alleen maar willoze slachtoffers zijn van onderdrukkende structuren. Hij verbindt zijn these van verzet met de vraag naar de eigen identiteit. Op zijn karakteristieke wijze roept hij op tot ander denken. "Ongetwijfeld is het belangrijkste objectief momenteel niet om te ontdekken wat wij zijn, maar om te weigeren wat wij zijn." Dit beginsel verbindt het politiek handelen met de levenskunst die in zijn laatste jaren zijn volle aandacht kreeg. (MK)

Levenskunst

Wat Foucault eist met zijn boek De geschiedenis van de waanzin, wordt door Manschot in zijn lezing als volgt samengevat: "Binnen het machtige domein van de objectiverende wetenschap eist hij ruimte voor een denken dat

• uitgaat van een radicaal respect voor de persoon als subject,
• het vreemde, excentrieke, het tragische en het extatische binnen het menselijke brengt, als uitingen van menszijn die ook aandacht verdienen, (
niet als 'abnormaal' afgedaan mogen worden, PR)
• ook bij onszelf grenservaringen toelaat, en
• open staat voor een ander type van kennen, een ander soort van spreken, interpreteren en uitleggen dan dat van de objectiverende rationaliteit.

Hoe zou een denken volgens deze kenmerken eruit kunnen zien? Als je het werk van Foucault in zijn latere jaren als zo'n vraag zou typeren, dan raak je in de richting van de levenskunst, waar iedereen het tegenwoordig over schijnt te hebben. En dan komt Pierre Hadot in beeld, die Foucault als zijn leermeester is gaan beschouwen. Hadot is filosoof en classicus, hoogleraar aan het Collège de France, 20 jaar ouder dan Foucault. Hadot blijkt een grootmeester op het terrein van de levenskunst, en Foucault brengt diens denken uit de academische wereld naar de buitenwereld. Hadot maakt duidelijk dat de klassieke Griekse en Helleens-Romeinse filosofie zijns inziens een uitstekend voorbeeld geven van het denken dat Foucault zoekt te ontwikkelen. (M)

Maar die moet je dan wél heel anders lezen dan nu gebruikelijk. Voor de klassieken was filosoferen iets heel anders dan de denksport van onze academische filosofen, manipuleren van abstracte ideeën. Het was toen in de eerste plaats zoeken naar een goede manier van leven, een manier die geleerd kon worden via lichamelijke en geestelijke oefeningen. De ontdekking dat filosofie 'in den beginne' praktische levenskunst was, moet ongetwijfeld de eye-opener geweest zijn die Foucault ertoe gebracht heeft zich in de klassieken te verdiepen. En daarmee de levenskunst los te pellen uit de kerstening van de Middeleeuwen en uit de rationalisering van de Moderne Tijd. Eerst verwerd de filosofie van praktische wijsheid tot scholastisch redeneren, en vervolgens tot het abstracte denken van onze tijd. (M)

Pas na de dood van Foucault in 1984 trad Hadot in de openbaarheid. Zijn beroemdste studie is kort geleden in het Nederlands vertaald onder de titel Filosoferen als een manier van leven. De Grieken hadden niet iets dat 'tegenover' de rede stond, zoals later de waanzin bijvoorbeeld. Zij zonderden ongewone gedragingen niet af als 'abnormaal', maar legden die uit als uitingen van hubris, van overmoed, waarvan iedereen in de ban kon raken. Ervaringen van extase werden uitgelegd met een beroep op mania. Beide noties worden uitgelegd in een recent boek van Jacques Graste De Bezieling. (dat ik niet gelezen heb, PR) (M)

Foucault laat aldus het verschil zien tussen Socrates, die door zijn leven imponeerde en omstanders tot vragen over hun levenswijze aanzette, en anderzijds Descartes of Kant, die de mensen tot denken aanzetten over het leven, maar de praktijkkant buiten de filosofie plaatsten. (M)

Tot slot een ontboezeming van Manschot: "Bij uitstek op het terrein van de zorg zouden wetenschap en levenskunstfilosofie elkaar moeten opzoeken. Een verder doordenken van de waarde van respect voor de persoon van de ander zou daarbij een kernthema kunnen zijn." (M)

Het hierna volgende heb ik ontleend aan het in de aanhef genoemde artikel van Joep Dohmen. Dohmen houdt zich al jarenlang bezig met het thema Levenskunst en heeft er meerdere boeken over geschreven. Levenskunst is als topic in de mode bij een breed publiek, maar wordt door de beroepsfilosofen nog veelal wantrouwig geassocieerd met wandtegelwijsheid en volkspsychologie.Op zichzelf bezien is dat wantrouwen niet eens zo gek, zolang niet duidelijk is dat het niet de zoveelste 'hype' is, maar een belangrijk onderwerp voor het actuele maatschappelijke leven. Dohmen maakt dat laatste plausibel, en ik ben het met hem eens. (D)

De terugkeer van de levenskunst is volgens Dohmen te danken aan Michel Foucault. Dat is de reden waarom ik probeer de essentie van Dohmens artikel (>10.000 woorden) in dit werkstuk mee te nemen. Dohmen beschouwt levenskunst als het kernbegrip van een nieuwe vorm van praktische filosofie. Met levenskunst als een normatief concept kan een nieuwe publieke moraal worden geconstrueerd die hij een ethiek van de houding zou willen noemen. Als tegenwicht van een maatschappelijk probleem dat je 'de moderne onverschilligheid' zou kunnen noemen. In de kretologie van de media wordt het probleem de laatste tijd ook voorzien van het etiket 'onbehagen'. (Dit was ook de slogan van de Maand van de Filosofie, april 2005)

Dohmens artikel behandelt eerst de actuele terugkeer van de levenskunst, laat dan zien wat levenskunst niet is, en doet dan een voorstel voor een geloofwaardig levenskunstidee. Het is mijns inziens zeer lezenswaardig, en wat hierna volgt doet er onvoldoende recht aan. De vraag Kan de filosofie de mens leren hoe te leven? is lang geleden door de filosofie positief beantwoord. De klassieken leverden a.h.w. een blauwdruk voor menselijk geluk: (1) een opvatting van de kosmos, (2) een opvatting over de menselijke natuur en (3) een opvatting hoe de mens op grond daarvan moet leven. Varianten daarvan, aangevuld met het christendom: (1) God bepaalt de wereldorde, (2) de mens is een zondig wezen en (3) de mens moet zichzelf verloochenen om tot God te kunnen terugkeren, hebben tot kort geleden diepe invloed gehad op onze cultuur. (D)

Dohmen deelt de stelling van Hadot dat filosofie ook vandaag nog een praktische levenswijze kan en moet leveren. Maar hij gelooft niet in Hadots uitgangspunt dat de klassieke visie — van een transcendente, kosmische levenskunst — nog geldig is. Dat ziet hij als achterhaald door de moderniteit, met zijn mechanistisch wereldbeeld dat b.v. de natuur ziet als een verzameling blind-mechanisch op elkaar inwerkende krachten. En Dohmen vindt ook de klassieke visie op de menselijke autonomie niet meer adequaat. Voor een actuele levenskunst met een meer bescheiden inzet en doelstelling kunnen we zijns inziens beter bij een andere filosoof te rade gaan, t.w. Michel Foucault.

Door zijn vroege dood heeft Foucault geen systematische visie op levenskunst kunnen achterlaten, maar wel enkele uiterst belangrijke suggesties. Centraal daarin staat zijn voorstel tot herijking van de ethiek. Door die te gaan opvatten als primair een zorg voor zichzelf (souci de soi). Moraal wordt dan een primair individuele moraal, een houding waarmee men in het leven, aan de hand van eigen onderzoek van dominante culturele codes en gedragsregels, probeert zichzelf, anderen en de samenleving te sturen. (in plattere woorden: naar vermogen klaarkomen met de status quo, PR) (D)

Een andere gedachte gaat over vrijheid. Die betekent nooit definitieve losmaking uit bestaande verbanden, maar wijst naar een sturingsproces waarin het individu tegelijk bestuurd wordt en zelf meestuurt. De illusie van absolute vrijheid is daarmee doorgeprikt. (D)

Dohmen heeft naast lof ook kritiek, die misschien deels gevolg is van het feit dat Foucault zijn werk niet heeft kunnen afmaken. Foucaults notie van 'het leven als kunstwerk' blijft wel erg onuitgewerkt. "We zullen op de schouders van Foucault moeten gaan staan om verder te kunnen kijken", aldus Dohmen.

Dohmen besteedt veel aandacht aan de verschillen tussen filosofische levenskunst en allerlei vormen van populaire levenskunst die sinds jaar en dag de markt domineren. B.v. The Power of Positive Thinking, recepten voor Wie wil ik zijn? of Hoe maak ik mijn levensplan? Ze verraden een enorm optimisme en geloof in de maakbaarheid van mens en samenleving, leven 'op bestelling' en soortgelijke illusies.

Wat hij bepleit is ook geen legitimering van hedonisme, ook geen oosterse levenskunst, en ook geen esoterische spiritualiteit. Op het eerste gezicht is de overeenkomst tussen oosterse en westerse levenskunst dat beide het individu als vertrekpunt van verandering kiezen. Maar het grote verschil is dat b.v. het boeddhisme de persoonlijke verandering los ziet van de complexe sociaal-politieke context en systeemdwang waarin we leven. 'Uitdoving' van het zelf past daar niet in. Ook New Age gaat voorbij aan die factor.

Een filosofie van de levenskunst staat kritisch tegenover een illusoir beheersingsdenken in termen van menselijke almacht. Het is een kunst waarbij zowel beheersen als loslaten een belangrijke rol spelen. Dus: geen illusies van almacht koesteren, en goed kijken naar de handelingsruimte in elke concrete situatie. Populaire levenskunst doet te vaak alsof er helemaal geen regels bestaan.Het leven is complex, dubbelzinnig en tragisch. Levenskunst is geen panacee. Waarschijnlijk is het zoals Spinoza opmerkt aan het eind van zijn Ethica:

"Het moet wel moeilijk zijn wat men zo zelden aantreft. Want indien de redding voor het grijpen lag en zonder inspanning te bereiken was, hoe was het dan mogelijk dat zij door bijna iedereen over het hoofd wordt gezien?"

Na deze afbakening van de filosofie van de levenskunst besteedt Dohmen de tweede helft van zijn artikel aan de invulling van het begrip. Elementen: levenskunst als zorg voor zichzelf, als leerproces, als houding. Waakzaamheid, verantwoordelijkheid, hermeneutiek van het zelf, handelingsbekwaamheid, oefeningen, integratie, blijvend leren, , enz. enz.

Waarom levenskunst juist nu? Levenskunst is toch van alle tijden? Eindigheid, lijden, passie, lot en noodlot zijn toch altijd constanten geweest van het onzekere mensenleven? Volgens Dohmen hangt de actuele opmars van het thema levenskunst samen met het probleem van de vrijheid en de bestaansonzekerheid die eruit volgt. Symptomen: individuele zelfbeschikking, dominantie van markteconomie, voortschrijdende technologie, en waardenpluralisme. Mensen richten hun leven in volgens zeer verschillende 'zelfgekozen' waardepatronen. De weg lijkt vrij voor wat vroeger alleen aan een elite was voorbehouden: het eigen leven stijlvol inrichten.

Maar steeds meer mensen blijken nauwelijks tegen die nieuwe vrijheid opgewassen, zoals blijkt uit een lange reeks uitingen van gebrek aan zelfbeheersing en onverschilligheid: zwakke regie over het bestaan. Het argument voor levenskunst was altijd, en is nog steeds de kortheid en eindigheid van het leven. Maar dat zegt niets over de vraag waarom levenskunst uitgerekend nu zo hard nodig is. Het antwoord is dat we in een type samenleving terecht gekomen zijn waar veel mensen niet voor toegerust zijn. Sociologen als Bauman, Beck en Giddens hebben beschreven dat en hoe we in een liberale risicomaatschappij leven, met allerlei sociaal-economische, ecologische en individuele risico's. Experts blijken telkens weer feilbaar, deskundigheid veroudert snel, veel levenssituaties zijn meerduidig en ambivalent. Zelfbepaling mag, zolang je de ander niet te veel schade berokkent. Toch moet ieder voor zich steeds opnieuw gedwongen keuzes maken t.a.v. carrière, relaties, tijdbesteding, enz. We hebben geen autoriteiten meer over het 'goede leven', alleen nog de helden uit kunst en sport. De mythe van de autonomie dwingt ons om telkens te kiezen, maar voor de meeste keuzes zijn we onvoldoende toegerust.

Levenskunst is meer dan ooit nodig als tegenwicht tegen de twee grote spookbeelden van onze tijd: de mythe van de autonomie en de mythe van de speelbal. Pas met een eigen levenshouding, met een levenskunst als zelfzorg, kunnen we voldoende autonomie verwerven om weerbaar te zijn in de vele afhankelijkheidsverhoudingen waarin we moeten leven, in plaats van een speelbal ervan te moeten zijn. Het 'goede' leven zit ergens tussen autonomie en speelbal zijn. (Opmerkelijk is dat ik dit 25 jaar geleden al vond in de boeken van Erich Fromm, maar nu beter herken. Mogelijk kom ik dar nog eens op terug.PR)

Wat denk ik er zelf van?

• In de eerste plaats vind ik het hele werk van Foucault een mooi voorbeeld van het differentiedenken. Niet het zoveelste 'grote verhaal', maar een gedifferentieerde benadering van afzonderlijke thema's, op een eigen wijze gebracht, waarmee de lezer desgewenst iets kan doen in zijn eigen leven.
• En zijn werk illustreert ook dat de rede geen patent heeft op ons denken. En dus niet ons enige instrument is om waarheid te ontdekken. En dat we een andere persoon niet te vlug als 'abnormaal' mogen beschouwen.

 

Bibliografie:

• Maladie mentale et personalité, 1954 - vanaf 1962 titel veranderd in Maladie mentale et psychologie
• E. Kant, Anthropologie de point de vue pragmatique. Thèse complémentaire (doctorat des lettres), 1961
• Folie et déraison, Histoire de la folie à l'âge classique, 1961. Nederlandse vertaling in 1975: Geschiedenis van de waanzin in de 17e en 18e eeuw.
• Naissance de la clinique. Une archéologie du regard medical, 1963
• Raymond Roussel, 1963
• Langage et littérature, 1964
• Les mots et les choses, une archéologie des sciences humaines, 1966. Nederlandse vertaling in 1973: De woorden en de dingen.
• L'archéologie du savoir, 1969
• L'ordre du discours, 1971. Nederlandse vertaling in 1988: De orde van het spreken
• Ceci n'est pas une pipe. Deux lettres et quatre dessins de René Magritte, 1973. Nederlandse vertaling in 1988: Dit is geen pijp.
• Moi, Pierre Rivière, ayant égorgé ma mère, ma soeur et mon frère, 1973
• Surveiller et punir, Naissance de la prison, 1975
• Histoire de la sexualité 1: La volonté de savoir, 1976. Nederlandse vertaling in 1984: Geschiedenis van de seksualiteit I: De wil tot weten
• Publiques de l'habitat (1800-1850), 1977
• Herculine Barbin, 1978. Nederlandse vertaling in 1982: H. Barbin, mijn herinneringen.
• Le désordre des familles, 1982
• Histoire de la sexualité, 2: L'usage des plaisirs, 1984. Nederlandse vertaling in 1984: Geschiedenis van de seksualiteit 2: Het gebruik van de lust.
• Dits et enits, 1984 (4 volumes)
• Histoire de la sexualité 3: Le souci de soi, 1984. Nederlandse vertaling in 1984: Geschiedenis van de seksualiteit 3: De zorg voor zichzelf.
• Parrèsia, Vrijmoedig spreken van waarheid, 1989

 

Mijn bronnen:
De mens in de filosofie van de 20e eeuw, door Jan Sperna Weiland (= SpW) ISBN 90 290 7285 7
Mensbeelden en levenskunst, door Dick Kleinlugtenbelt (=K) ISBN 90 5573 506 x
Van waanzin tot levenskunst, lezing van Henk Manschot, tot voor kort rector van de Universiteit voor Humanistiek, voor een symposium GGZ in de Jaarbeurs op 26.3.2004 (=M)
Kan de filosofie de mens leren hoe te leven? een artikel van Joep Dohmen, docent Filosofie en Humanisme aan de Universiteit voor Humanistiek, 2004 (=D)
• De bijdrage van Prof.dr. Machiel Karskens, hoogleraar Politieke en Sociale Wijsbegeerte aan de KUN. in het boek
Filosofen van deze tijd. ISBN 90 351 2108 2) (=MK). Karskens staat bekend als groot Foucault kenner

Pietkoprand
terug

Mail to

promeijn@promeijn.nl

terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug terug terug terug terug terug terug terug terug terug terug terug terug terug