De informatisering van de wereld
Piet Romeijn, april 2000
Ik heb bij nader inzien ‘informatisering‘ als titel gekozen, omdat het verhaal daarover gaat. Digitalisering is alleen maar het instrument van de informatisering. Mijn voornaamste bron was Jos de Mul, hoogleraar wijsgerige antropologie aan de Erasmus universiteit. Denk er om dat hier een filosoof aan het woord is, geen natuurwetenschapper of informatietechnoloog.
Als gevolg van de informatisering zijn er in filosofische zin vier dingen aan de hand: 1. De cognitieve structuur van de mens verandert. Homo sapiens sapiens wordt homo sapiens cyberneticus. 2. Onze kennisname van de werkelijkheid verandert. 3. Ons wereldbeeld verandert. Naast de werkelijke wereld ontstaan virtuele werelden, en ook een zgn. cyberwereld. 4. Er ontstaan niet eerder gekende nieuwe elementen in menselijke relaties Ik zal eerst deze zaken een béétje uitwerken, zodat er een soort raamwerk ontstaat voor de rest van het verhaal.
Eerst die cognitieve structuur:
Die verzamelnaam wordt gebruikt voor al onze geestelijke functies als waarnemen, denken, herinneren, leren, verbeelden, analyseren, interpreteren, enz.in hun complexe samenhang.
In schriftloze culturen was de kern daarvan de geheugenfunctie. Die functie werd later uitbesteed aan een hulpmiddel buiten de mens, het schrift. De vrijgekomen ruimte in onze geest werd toen ingenomen door nieuwe functies als selectie en analyse van de binnenkomende informatie. Wat nu bezig is te gebeuren is dat ook die selectie en analyse worden uitbesteed, aan de computer. En de consequenties daarvan zijn nog niet te overzien.
Onze kennis van de werkelijkheid:
Ooit dachten we dat onze kennis ontstond door passief ondergaan van indrukken. Kant leerde ons dat onze kennisname van de werkelijkheid niet éénvormig, maar variabel is, via wat hij de categorieën van het verstand noemde, onze cognitieve structuur. Kant dacht nog dat die structuur onveranderlijk was, maar die structuur is wél veranderlijk. Het gebruik om zich in symbolen uit te drukken is een opvallend kenmerk van de mens. In de loop van de geschiedenis is dat onder andere gebeurd in de gesproken taal, in het schrift, in het gedrukte woord, en sinds kort in het electronische medium van de computer. Iedere symbolisering articuleert het gedachte en het gevoelde op zijn eigen manier. Dat impliceert dat een orale cultuur, een schriftcultuur of een digitale cultuur essentieel verschillende wereldbeelden met zich mee brengen.
Ons wereldbeeld:
In de meeste schriftloze culturen, ook in de archaïsche Griekse, zag men de wereld als één bonk veranderingen. Denk aan de vele mythen over metamorfosen. De klassieke Grieken zagen die veranderingen ook wel, maar zagen er toch iets onveranderlijks aan ten grondslag liggen, een bepaald element, of de onveranderlijke kleine deeltjes van Democritus.
In de 17e eeuw ontstond het mechanische wereldbeeld dat we nu nog kennen. Men ging de wereld zien als een soort uurwerk, met een transcendente klokkenmaker als starter, en met natuurwetten in plaats van toeval. Die wetten kon je analyseren, voorspellen en gebruiken om de natuur te beheersen. De Mul noemt dat heel beeldend de domesticatie van het noodlot, net zoals ooit sommige diersoorten uit de natuur gedomesticeerd werden.
Een informationistisch wereldbeeld gaat niet meer uit van een maker, maar van het evolutionistische idee dat informatie zélf steeds complexere informatie voortbrengt, net zoals Gaia steeds complexere levensvormen voortbrengt. Je zou het kunnen vergelijken met een boek dat zichzelf schrijft, en waarvan de mens nu medeauteur probeert te worden.
We zagen tot voor kort nog de wereld opgebouwd uit materie en energie (twee bouwstoffen dus), maar nu wordt al hier en daar informatie als volwaardige derde bouwstof genoemd. In de woorden van de Mul: na de domesticatie van materie en energie proberen we nu ook de informatie te domesticeren. Tussen materie en energie zijn mathematische relaties ontdekt, b.v. de relativiteitstheorie. Er wordt al wild gespeculeerd over soortgelijke relaties met informatie.
De menselijke relaties
Vele van de wetmatigheden die de sociologie en de psychologie hebben uitgevogeld over relaties tussen mensen, krijgen nieuwe en nog niet overzienbare aspecten. De ‘sociosite‘ van de UvA is een rijke informatiebron daarover.
Tot zover het raamwerk.
De Mul ziet de digitale revolutie als een stap in de cognitieve evolutie van de mens. Voor zijn uitleg gebruikt hij de overgang van de orale cultuur naar de schriftcultuur een paar duizend jaar geleden. Ik zal dat nu ook proberen en ik neem dan de veranderingen in het wereldbeeld meteen maar mee.
In orale culturen zijn de uitgesproken woorden vluchtig. Ze bestaan alleen even op het moment dat ze worden uitgesproken. Daarom stonden in de cognitieve structuur van de orale mens de geheugentechnieken centraal. Niet alleen het spreken, maar ook het denken gebeurde noodzakelijkerwijs in mnemonische patronen, met ritme, rijm, herhalingen, tegenstellingen, alliteraties, enz. enz. En vaak geassocieerd met handelingen, riten, situaties of spreekwoorden. De vitale kennis die nodig was voor het overleven moest vóór alles narratief georganiseerd zijn, dus niet in ‘denk’-beelden, maar in woorden en zinnen, en die moesten vóór alles geheugenvriendelijk blijven.
De orale cultuur van het archaïsche Griekenland werd gekenmerkt door de rijke, homerische godenwereld, in de vereiste uitdrukkingsvormen met ritme, rijm en herhalingen. De Ilias en de Odyssee waren hun orale encyclopedieën voor praktische zaken. Door de vele hervertellers ontstonden variaties, die de verhalen soms onderling onverzoenbaar maakten. Kenmerk van de archaïsche religie was dat die weinig te maken had met diepe gevoelens en persoonlijke overtuigingen, maar voornamelijk bestond uit het volbrengen van overgeleverde rituelen en het vertellen van verhalen. Dat wordt o.a. weerspiegeld door het feit dat de Griekse tempels geen functionele binnenkant hebben. Tenslotte staat de vluchtigheid van het gesproken woord geen langdurige contemplatie toe, en ook geen abstracte relaties tussen de uitgesproken begrippen. Het gesproken woord was ook per definitie nauw verbonden met de leefwereld van het moment. (1p2)
Dat werd fundamenteel anders door de overstap naar schriftcultuur. Socrates schreef niks op, maar Plato maakte de filosofie tot een boekcultuur, zij het nog vaak in de vorm van dialogen. Dat maakt ook begrijpelijk waarom de platonische filosofie zo gemakkelijk kon versmelten met de joods-christelijke traditie, een uitgesproken boekcultuur.
Tegenover de dwarreligheid en de veelheid van de mythologie is het boek een stabiele eenheid. Het ging min of meer functioneren als een metafoor van de wereld en de mens, zoals de bijbel bijvoorbeeld.
Tot de 15e eeuw waren boeken nog een kwestie van handschrift. En werden ze als regel hardop voorgelezen (1p3). Het schrijven en overschrijven was letterlijk eenzaam monnikenwerk, dat als vanzelf aanzette tot contemplatie. Dat maakt inzichtelijk waarom het christendom — in tegenstelling tot de Griekse religie — een religie van de innerlijkheid kan worden genoemd.
De vitale kennis om te overleven kon in een schriftcultuur worden vastgelegd.De cognitieve structuur van de mens werd dus flink ontlast van haar geheugenfunctie. De hoeveelheid menselijke kennis ging exponentieel toenemen, zo ook de woordenschat: een orale cultuur kent meestal maar een paar duizend woorden, maar een schriftcultuur gemakkelijk duizend maal zo veel. Reflectie en analyse van de beschikbare kennis werden kernfuncties van de cognitieve structuur. Bovendien werd een ongekende precisie van gedachten mogelijk doordat het denkproces losgemaakt werd van de rijke, maar chaotische context van de orale uitdrukking. Je kunt een geschreven tekst herlezen en herkauwen zo vaak als je wilt.
De geboorte van filosofie en wetenschap in de Griekse klassieke cultuur kan niet worden losgezien van de introductie van het fonetische schrift. De structuur van het schrift werd overgedragen op de menselijke geest. Dat werkte ook toenemende abstrahering en distantiëring in de hand.
Het wereldbeeld van orale culturen was meestal even chaotisch als hun mythologieën. De wereld was een voortdurend veranderend geheel. Pas de klassieke Grieken, met hun fonetische schrift, poneerden visies die je als een pril begin van natuurwetten zou kunnen beschouwen. Plato's werk kun je zien als een uitdrukking van een overgangsdilemma: een veranderlijke leefwereld met een eeuwig onveranderlijke ideeënwereld als grondslag. En veel van zijn werken hadden nog steeds de dialoogvorm.
Sommigen zien de huidige multimedia cultuur (film, radio, TV) als een soort terugkeer van de oraliteit. De Mul citeert uit een boek van een zeker Ong (vertaald): “Deze nieuwe oraliteit lijkt opvallend veel op de oude in haar participatoire mystiek, haar bevorderen van gemeenschapszin, haar concentratie op het moment, en zelfs in haar formuleringen”. In de multimedia is inderdaad het gesproken woord opnieuw een medium van kennisoverdracht geworden. Maar die nieuwe oraliteit draagt wel het stempel van de schriftcultuur. De gesproken teksten zijn als regel eerst op schrift gesteld.
Sinds de explosieve opmars van de computer, ná de komst van de multimedia, zijn al die kenmerken nog veel geprononceerder geworden: email, nieuwsgroepen en babbelboxen op het internet geven een curieuze mengvorm te zien van geschreven en gesproken communicatie.
En er is meer aan de hand. In de media van het Internet liggen de teksten, beelden en geluiden, net als het gedrukte woord, opgeslagen in een extern medium. De omgang ermee veronderstelt meer analytische vaardigheden dan voor een boek. Bovendien kent de digitaal opgeslagen kennis geen begin en geen eind, geen duidelijke scheidslijn tussen centraal en marginaal. De scheidslijn tussen schrijver en lezer is verdwenen. De gebruiker van het web bepaalt zelf zijn weg, en in vele gevallen kan hij zijn eigen ervaringen toevoegen in de vorm van nieuwe documenten en koppelingen.
De computergestuurde media lijken bij te dragen aan opnieuw het transformatieve wereldbeeld dat in de orale cultuur opgeld deed. De metamorfose van de oudste Grieken schijnt weer op te duiken, b.v. in de computertechniek morphing (vormverandering).
Hetzelfde verhaal in evolutionair perspectief:
Het eerste rechtop lopende tweebenige wezen, homo erectus, kenmerkte zich door het gebruik van werktuigen en vuur. Opvolger homo sapiens (300.000-100.000 jaar geleden) was qua anatomie al helemaal een mens. Eén van zijn verworvenheden was gesproken taal. Ongeveer 35.000 jaar geleden ontstond de huidige mens, homo sapiens sapiens. Gekenmerkt door de overstap naar agrarisch bestaan, maar vooral door het gebruik van externe symbolen. Via merktekens op werktuigen, grotschilderingen en pictogrammen leidde dit rond 1000 jaar vC tot het fonetische schrift dat we nu kennen.
De eerste stappen van deze evolutie gingen vergezeld van een opvallende groei van de hersenen. De ongeveer 500 cm3 van de tweebenige mensaap groeiden tot circa 1400 cm3 bij homo sapiens. Maar het is opvallend dat de ingrijpende overgang van homo sapiens naar homo sapiens sapiens niet gepaard ging met verdere groei van de herseninhoud. In hedendaagse terminologie wordt gezegd dat groei van de ‘hardware’ van de menselijke geest ná homo sapiens grotendeels buiten de hersenen heeft plaatsgevonden, door geheugenopslag op dragers als klei, papyrus en papier, met behulp van symbolen. De eerste stap naar een netwerk van biologische en niet-biologische informatiedragers. De techniek nam een stukje evolutie over van de biologie.
Door die uitbesteding kreeg de cognitieve structuur van de mens ruimte vrij voor nieuwe functies. En die kwamen er, in de vorm van selectie, analyse, contemplatie, interpretatie, preciseringen van het denkproces, enz. De wetenschappelijke revolutie is daar mede aan te danken.
Toen kwam de computer. Op het eerste gezicht zou je zeggen: "Wat maakt het uit of de informatie op papier of digitaal wordt opgeslagen?". Maar er is meer aan de hand. De computer slaat namelijk niet alleen de producten van het denkproces op, maar kan ook het denkproces zelf vereenvoudigen, of op zijn minst simuleren. Homo sapiens sapiens is nu bezig het selecteren, analyseren en manipuleren van de symbolen aan de computer uit te besteden. Voorbeelden: de militaire en medische expert-systemen, die naast een database ook een ‘inference engine’ kennen, een programma dat zélf conclusies trekt uit de binnenkomende data.
In de Kosovo luchtoorlog betekende vernietiging van een Servisch doel niet meer dan een kruisje op een coördinatenscherm en een druk op de knop. (Achterhuis)
Ook het Internet maakt de cognitieve potenties duidelijk. Je kunt er in bladeren, net als in een boek, maar de verschillen zijn dat de computer het oneindig veel sneller doet, en vooral dat de computer leert van het gebruik. Er zijn intelligente zoekmachines ontwikkeld die relevante informatie opsporen en in volgorde van belangrijkheid voor je neerzetten, en die door ervaring leren wat de gebruikers meer of minder relevant vinden. Of: die aangrenzende en verwante informatie opsporen en voorgeleiden. De cognitieve hulpfuncties van het netwerk worden snel beter, sneller dan we kunnen bijhouden.
De cognitieve vermogens van de mens zijn nog lang niet toereikend om werkelijk greep te krijgen op die miljoenen pagina's van het internet. Mens en machine leren over en weer voortdurend van elkaar. Succesvolle zoekacties leiden automatisch tot meer kwaliteit van het web. Er ontstaat een soort superbrein, waarvan de gebruikers onderdeel zijn. In experimenten worden al zoekacties aangestuurd door de gedachten van de gebruiker. Opgevangen hersengolven worden in een trial and error proces geïnterpreteerd, losgelaten in het netwerk, en komen in verrijkte vorm terug in het hoofd van de gebruiker.
Zo'n neuraal netwerk vermijdt een vervelend obstakel bij de proeven van kunstmatige intelligentie. Die worden namelijk gefrustreerd doordat de vereiste alledaagse menselijke kennis erbij ontbreekt, maar in een neuraal netwerk is die in symbiose met de computer.
Net zoals bij de stap van oraal naar schriftelijk mogen we ook nu verwachten dat de uitbesteding van cognitieve vermogens aan de computer ruimte zal scheppen voor nieuwe vermogens van de mens. De denkprocessen zullen zich b.v. niet meer, zoals in de schriftcultuur, primair richten op het volgen van één lineaire verhaallijn of argumentatielijn, maar meer op het scheppen van een multilineaire logische ruimte, waarin meerdere denklijnen, verhaallijnen of redeneerketens zich gelijktijdig en parallel afspelen. Ik denk dat velen van ons, als we er bewust op letten, dat verschijnsel bij zichzelf kunnen herkennen.
In de zoeksystemen op het internet kan een zoeklijn zich splitsen als dat nodig is. Het lijkt er op dat op soortgelijke manier de mens in die logische denkruimte een soort parallel bewustzijn kan ontwikkelen. Concreet zie je dat b.v. gebeuren als iemand met de afstandsbediening meerdere TV programma's volgt. Dat is een duidelijke nieuwe cognitieve vaardigheid. Er zijn al computerprogramma's zoals Movie Makers‘ Workspace, die makers van complexe multi-threaded films trainen in het bewaken van de continuïteit van hun parallelle verhaallijnen.
Nog een waarschijnlijkheid is dat het denken in die multilineaire logische ruimten zal aanzetten tot visualisering van het denkproces. Dat zal dan een verdere uitwerking zijn van een verschijnsel dat we al kennen, namelijk dat bepaalde complexe processen alleen maar inzichtelijk kunnen worden gemaakt met driedimensionale grafieken. Die zullen dan dynamisch worden in plaats van statisch. Denk aan de ophef over software voor driedimensionale weergave in computers.
Een nog prillere ontwikkeling is dat sommigen al intenties gaan toeschrijven aan machines. Denk aan gezegden als "De computer wil…" of "De computer zegt…" Een stapje verder is dat we misschien op een bepaalde manier ons gaan inleven in en meeleven met een machine. De populaire tamagotshi is daar een interessant voorbeeld van. Kinderen beseffen heel goed dat het digitale wezentje dat zij trachten groot te brengen, geen levend wezen is. Maar het feit dat het wezentje sterft bij gebrek aan verzorging, kan wel degelijk intense emoties oproepen. De eerste digitale begraafplaatsen zijn inmiddels op het WWW gesignaleerd.
Zoals scholing in de schriftcultuur tot vér in de 18e eeuw gericht was op het aanleren van de vaardigheden die je nodig had om schrift te hanteren — grammatica, logica, retorica — zo zal de scholing van de toekomst mede gericht zijn op het aanleren van vaardigheden in het omgaan met het ‘superbrein’.
Natuurlijk gaan zulke grote veranderingen niet abrupt. Velen vinden de jongste ontwikkeling onmenselijk, omdat het zo menselijke vermogen tot oordelen aan machines wordt uitbesteed. Ook wordt gewezen op het gevaar dat de analytische vermogens van de mens zullen worden verzwakt. Plato gebruikte in de Phaedrus vrijwel dezelfde argumenten tegen het schrift, dat volgens hem het geheugen zou aantasten. En toen de boekdrukkunst was uitgevonden, zagen velen dat als een ramp voor de religieuze contemplatie. Zulke dingen horen gewoon bij verandering.
Het perspectief van de techniek:
Techniek kun je beschouwen als een combinatie van natuurkrachten volgens een menselijk ontwerp. De eenvoudigste vorm is de hamer: je kunt ermee slaan, maar de hamer slaat zelf niet. De natuurkrachten komen van de timmerman. De machine was een stap verder: die bevat en levert wél een door de mens gewenste combinatie van natuurkrachten met behulp van ingebouwde informatie. Maar de machine vormt of bewerkt die informatie niet. Dat doet pas de computer, en die kan daardoor de machine besturen. Dat betekent dat onze afhankelijkheid van techniek nog groter gaat worden dan die al is.
Het perspectief van de religie
De Mul stelt dat het christendom en de islam vanwege hun nauwe verbondenheid met de cultuur van het boek incompatibel zijn met de digitale cultuur. Hij vermoedt dat in cyberspace de toekomst van de religie gezocht zal moeten worden in een digitale variant van het polytheïsme. Immers, het fragmentarische van het internet ligt qua structuur dichter bij de homerische religie dan bij het christendom of de islam. Ook de geringe diepgang van de Griekse mythologie heeft veel gemeen met de oppervlakkige schittering van de digitale wereld. En tenslotte heeft polytheïsme q.q. een ingebouwde tolerantie, die heel goed past in onze moderne samenleving. De Mul citeert hartstochtelijke pleidooien voor een digitaal polytheïsme.
Het informationistische wereldbeeld
Het moet nog uitkristalliseren, maar er sluipt twijfel binnen of de wetmatigheden van de natuur wel zo onwrikbaar zijn als we dachten. We proberen ze niet meer alleen te beheersen, maar ook te manipuleren. Denk aan de pogingen tot kunstmatig leven, kunstmatige intelligentie, gen-technologie e.d. Iemand zei het heel radicaal: "De beste manier om de toekomst te voorspellen is de toekomst zelf uitvinden."
De informatisering van het wereldbeeld betekent in de eerste plaats dat het heelal gezien gaat worden als een informatieverwerkende machine. Het menselijk brein een computer noemen is daar een toegespitste variant van. In het mechanische wereldbeeld werd het heelal nog gezien als een machine ‘sec’, met dus een programmeur, al of niet goddelijk. Maar de evolutie van het leven op aarde is een goed voorbeeld van een proces waarin een bepaalde configuratie van materie en energie kan leiden tot een complexere organisatie op een hoger niveau, waarin de som van de informatie groter is dan de delen. Zelforganisatie van informatie leidt dus tot steeds complexere informatiestructuren. De top-down structuur van de oudere wereldbeelden is dan vervangen door een bottom-up structuur.
Een tweede betekenis van een geïnformatiseerd wereldbeeld is de veronderstelling dat reële gebeurtenissen door een computerprogramma nagebootst kunnen worden. Als dat waar blijkt te zijn, dan zouden we computerprogramma's kunnen schrijven die verschijnselen bewerkstelligen die tot nu toe aan natuurwetten werden toegeschreven. Als we een programma schrijven dat intelligent mensengedrag overtuigend simuleert, dan hebben we een intelligente computer gecreëerd.
Zulke manipulatie van natuurwetten zal beperkt blijven tot simulaties. Herprogrammering van natuurwetten ligt vér buiten het menselijk vermogen, en zal dat misschien wel altijd blijven. Maar als we bedenken dat een groeiend deel van ons leven zich nu al afspeelt in geprogrammeerde, virtuele werelden, dan komen we er niet onderuit dat de domesticatie van de informatie ons nieuwe werelden zal binnenvoeren. Net zoals de eerstelingen in het mechanische wereldbeeld de implicaties van hun eerste stappen niet konden voorzien, zo kunnen wij op het ogenblik nog niet meer dan een glimp opvangen van wat ons te wachten staat.
Tot zo ver de Mul.
Toen ik mijn samenvatting van de Mul's denkwerk zo'n beetje op orde had, maakte ik kennis met de voortreffelijke internet-site van de Universiteit van Amsterdam. Ik heb daar een paar dingen uitgelicht, niet als een samenhangend geheel, maar als een paar losse statements, die het voorafgaande nóg eens bekijken, nu door de brillen van een paar antropologen-psychologen:
• Er wordt wel geklaagd dat het internet ‘een anarchistisch zootje’ is. Een cultureel antropoloog vindt dat niet. Hij vindt en beargumenteert dat het internet nog het meest lijkt op wat in zijn vak heet: ‘een stamverband zonder staat of grenzen’. Gezien het feit dat alle technologisch ontwikkelde samenlevingen tot dusverre wél een staatsstructuur en grenzen hebben, is dat een opmerkelijke uitspraak.
• Een andere antropoloog beschrijft hoe het onderscheid tussen het menselijk organisme en machines begint te vervagen. Na prothesen, implantaten, kunstmatige organen en plastische chirurgie beleven we nu neurale netwerken. Wat we ‘van nature’ ontvangen, verbeteren we ‘van culture’ met technologieën.
• Een derde vraagt zich af hoe lang het nog zal duren voordat ‘denkende machines’ een feit zijn. Denk aan neurale netwerken, parallel processing, fuzzy logic, stemherkenning en zelfs kunstmatige levensalgoritmen die de biologische evolutie simuleren (pacemakers e.d.). Hij poneert vragen die niet meer belachelijk klinken, zoals: kunnen zenuwimpulsen worden omgezet in logisch geordende digitale signalen? Wordt het mogelijk om van de ene generatie op de andere kennis over te dragen via neurale netwerken?
• Psychologen vinden de implicaties van de cyberwereld een geweldig nieuw onderzoekterrein. (cyberwereld = internet, email, babbelboxen e.d.). Ik noem een paar van hun statements:
• de factoren die in het dagelijks leven het aangaan van menselijke relaties vaak belemmeren, zoals angst voor repercussies, verlegenheid, en soortgelijke sociale risico's vallen weg in de cyberwereld. Relaties ontstaan er dus gemakkelijker, maar het zijn dan zgn. ‘hypersociale relaties’, gereduceerde versies van het werkelijke leven.
• die ontremming kan een voordeel, maar ook een nadeel zijn. Sociale controle op onverantwoordelijk gedrag dreigt buiten werking te worden gesteld. Er worden van achter de electronische barrières woeste conflicten uitgevochten, het zgn. ‘flaming’
• Je kunt iedere identiteit kiezen die je maar wilt, je kunt je in een chatgroep of email groep presenteren als man of vrouw, homo of hetero, jood of moslim. In de termen van Kurt Vonnegut, een bekende SF auteur: "You can be what you pretend to be". Hoe lang duurt het dan tot je met je eigen niet-electronische identiteit in de knoop raakt?
• In de cyberwereld worden andere mensen beoordeeld zonder de gebruikelijke zintuiglijke signalen. Dat kan tot vertekening en projecties leiden. Mensen lijken per internet sneller verliefd te worden. Op hun ‘geprojecteerde’ beeld? Of op een echt mens?
• In vele virtuele gemeenschappen van het internet kun je participeren zonder zelf zichtbaar aanwezig te zijn. Dus bijzondere mogelijkheden tot voyeurisme.
• Het internet biedt zo veel mogelijkheden, van uiterst gewichtige tot flauwekul, dat de kans op obsessies of verslaving groot wordt, en niet alleen aan pornografie. Mensen trekken zich soms nu al pathologisch terug in hun eigen wereld van virtuele contacten. Er is al een digitale tegenhanger van Alcoholics Anonimous. En de psychiatrie houdt zich al met het verschijnsel bezig.
• De groeiende individualisering na de dwangcollectiveringen uit het verleden is een positieve zaak, maar de warme banden van geborgenheid en solidariteit uit het collectieve verleden zijn nog niet vervangen door nieuwe warmte. Toch is het internet allesbehalve een koude plaats, en het wordt dus interessant om te zien of het in die behoefte aan nieuwe warmte zal kunnen voorzien.
----------oOo-----------
Er is dus o.a. een wisselwerking tussen taal, schrift en cultuur. Dat merk ik ook nu ik recentelijk over de Chinese cultuur aan het lezen ben. Hieronder het een en ander over de Chinese taal en het Chinese schrift. Ik kan mij voorstellen dat het ook te maken heeft met het enorme ‘anders zijn’ van de Chinese cultuur.
De Chinese spreektaal is vrijwel éénlettergrepig. In totaal ongeveer 400 lettergrepen, die op vier verschillende toonhoogten telkens een andere betekenis krijgen. De zo ontstane 1600 lettergrepen verschillen bovendien in betekenis naar gelang woord- of zinsverband.
De schrijftaal begon als pictogrammen, afbeeldingen van wat men wilde duiden. In de loop van de tijd werden ze abstracter, en werden het meer ideogrammen. Begonnen als één karakter voor elk begrip, later ook samenstellingen voor andere begrippen. Toen het schrift zijn definitieve vorm bereikt had, een paar eeuwen vC, waren er circa 50.000 karakters, de meeste samengesteld. In de 17e eeuw werden er 214 betekenisduidende elementen aan toegevoegd, als richtingwijzers'. Verbuigingen, tijden, naamvallen, enkel- en meervoud kent het Chinees niet. Interpretaties van teksten, vooral oudere teksten, worden een hachelijk avontuur' genoemd. Hedendaags Chinees lezen op elementair niveau vereist kennis van ongeveer 2000 karakters. Met 8 tot 10.000 ben je een zeer belezen en ontwikkeld mens. De transcriptie naar ons alfabet schijnt ook een avontuur te zijn, want ik heb nog geen twee schrijvers onder ogen gehad die dat op dezelfde manier deden.
Woorden als weg, boom, tafel, laten zich zonder moeite vertalen, maar voor filosofische begrippen volstaan woordenboekvertalingen niet. Maar Chinese filosofische begrippen hebben voor de westerling altijd uitgebreide uitleg nodig. Een voorbeeld: Ik gebruik o.a. een boek van Martin Palmer, een Cambridge theoloog en sinoloog, die jaren in China gewoond en gestudeerd heeft. Het woord Tao is niet bepaald een eenvoudig begrip als je het filosofisch bedoelt, maar is nog steeds ook een alledaags woord. Palmer woonde op de Tai Po Tao, gewoon 'de weg naar Tai Po'. |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
Mail to promeijn@promeijn.nl |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||