Wereldbeeld en mensbeeld van Max Scheler
Piet Romeijn, april 2002
Ik kwam op Scheler doordat ik doende was mij in mensbeelden te verdiepen. De filosofische antropologie kwam in beeld doordat Störig hem de grondlegger van de moderne filosofische antropologie noemt, een tak van de filosofie die mij interesseert. Omdat die beoogt mensen te helpen om zichzelf te begrijpen, en een mening te krijgen over wat menszijn betekent.
Tijdens Schelers leven gebeurde er veel in de denkerswereld. De wetenschappen, met voorop de biologie sinds Darwin, de psychologie sinds Freud, het historisme sinds Dilthey, en ook de sociologie, hadden heel veel nieuwe inzichten betreffende de mens geleverd. Die schreeuwden a.h.w. om interpretatie en integratie. Dat was de taak van de filosofie, maar dan niet door nog eens een nieuw gedachtenspinsel, maar in overeenstemming met de feitelijkheid van al die nieuwe inzichten. Scheler was een van de eerste filosofen die doorging met vragen waar de wetenschap ophield met vragen.
Störig noemt het een gelukkig toeval dat er juist toen iemand als Scheler beschikbaar was. Want die was niet alleen filosoof, maar ook fijnzinnig psycholoog en socioloog van betekenis. Het persoonsbegrip was altijd al aanwezig in zijn denken, en hij was al overtuigd dat een nieuwe fundamentele wetenschap van het wezen en de wezensopbouw van de mens dringend nodig was. Volgens hem is de essentie van de mens eerder het hart dan het hoofd. Hij nam dus afstand van Kant b.v.
Ik vond het niet gemakkelijk om te verwoorden wat ik van zijn werk begrepen meen te hebben. Ik merkte opnieuw dat taal eigenlijk maar een armzalig middel is om dit soort moeilijke zaken in woorden uit te drukken. Meer dan ooit besefte ik dat een woord vaak iets anders is dan de zaak zelf.
Max Scheler, Duitser, geboren 1874. Kind van een joodse moeder. RK gedoopt, maar alleen als veertiger een jaar of zes overtuigd christen en theïst geweest. Verliet de kerk in 1922 en heeft de laatste zes jaar van zijn leven aan een nieuwe filosofische antropologie gewerkt, die hij niet heeft kunnen voltooien. Hij stierf in 1928, 54 jaar oud. In 1933 werd zijn werk door de nazi’s verboden. Het meeste is pas na de Tweede Wereldoorlog uitgegeven, het laatste pas in 1993. Zijn enige eigen publicatie over filosofische antropologie is zijn boekje Die Stellung des Menschen im Kosmos, dat hij een paar weken voor zijn dood schreef voor een cursus. Eerder in zijn leven heeft hij belangrijk werk gedaan over andere thema’s, o.a. waardenethiek.
Wereldbeeld
In het wereldbeeld dat Scheler ontwikkelde bestaat het ‘zijn’ uit wederzijdse doordringing van twee oerelementen: drang en geest. Die radicaal van elkaar gescheiden zijn. Hij gaat ervan uit dat de hogere levensvormen op aarde uit de lagere zijn ontstaan in een opklimmende reeks van plant naar dier naar mens, evolutie dus. Hij ontkent net als Darwin dat er een doelgericht streven is met de mens als einddoel. De evolutie had ook anders kunnen verlopen (D113) Maar de mens speelt wel een beslissende rol in wat hij de wereldevolutie noemt. (Komt straks aan de orde)
Die drang werkt richtingloos in alles wat leeft. Wordt ook wel (biologische) levensdrift of levensdrang of ‘het leven’ genoemd. De drang werkt zonder einddoel of voorstelling van wat dan ook, met als enige functie het leven aan de gang houden. De boom staat er, zoekt het licht op, maakt blad en gooit het weer af, de drang zindert door hem heen, de natuur speelt haar spel, maar de boom ‘weet’ van niks, de drang is blind, en zonder sturend centrum of terugmelding naar zoiets als een centrum.
Dieren hebben die drang ook, maar er is dan het een en ander bij gekomen. Dieren hebben bijvoorbeeld aangeboren instincten. Er begint zich een sturend centrum te ontwikkelen, en ook iets van terugmelding naar dat centrum. Maar er is nog geen sprake van doelbewuste sturing. De meeste dieren worden puur door instinct gedreven, maar sommige dieren hebben al iets als een associatief geheugen, ze kunnen gewoontes aanleren, gedresseerd worden bijvoorbeeld. Enkele dieren hebben zelfs al een begin van keuzevrijheid en iets als een praktische intelligentie, die bijvoorbeeld middelen verzint om een doel te bereiken. Denk aan de chimpansee die een stok gebruikt als gereedschap, of de otter die mosselschelpen stukslaat met een steen.. (D114)
De mens is precies als planten en dieren óók doortrokken van die drang. Hij heeft zijn grotere intelligentie, maar ook nóg iets dat dieren niet hebben, namelijk de geest. De geest is bij Scheler niet een voortzetting of uitbreiding van de levensdrang, maar staat er tegenover. Tussen geest en drang heerst een soort antagonisme. De mens mag niet alleen begrepen worden uit het continuüm van de evolutie, maar er is in de mens op een raadselachtige manier iets nieuws begonnen. Zoiets als de Logos van de oude Grieken, het vermogen de Ideeën van Plato te denken, of de Tao van de Chinezen. De geest omvat ook gevoelens, emoties als liefde, eerbied, verwondering, vertwijfeling, de oudtestamentische vreze des Heren.
Wat Scheler met drang en geest bedoelt, lijkt op wat Spinoza de ‘twee attributen van de wereldgrond’ noemt. Soms wordt de geest ook wel ‘deitas’ (godheid) genoemd, en de drang ‘het demonische’.
De relatie tussen geest en drang is er niet een van oorzaak en gevolg, maar een wilsrelatie, namelijk de wil van de geest om de drang wel of niet zijn gang te laten gaan. Geest heeft dus wil, maar geen kracht van zichzelf, kan alleen maar ideeën, waarden, instemming of afkeuring voorhouden, die de drang dan remmen of niet remmen. Daarom brak Scheler met het theïstische denken van de kerk, waar geest zélf vermogen heet te hebben om dingen tot stand te brengen. Wat er in de wereld gebeurt, moet niet begrepen worden vanuit de geest (zoals bij Hegel), maar eerder vanuit de vitale driften, eigenschappen van de drang.
Die driften komen voort uit drie oerdriften:
1. een seksuele of voortplantingsdrift
Als eigenschappen van de drang kleuren ze al onze waarnemingen en percepties. Ze kunnen volgens Scheler verbonden worden aan de thema’s van denkers als Freud, Nietzsche en Marx
Alle theorieën die het geestelijke uit de mens willen afleiden, worden door Scheler verworpen. Volgens hem kan geen enkele theorie een verklaring geven van de oneindige sprong van de natuur naar de menselijke cultuur. Vandaar dat hij in de mens een dualisme formuleerde van het levensbeginsel en het niet-afleidbare geestelijk beginsel. De principiële eenheid van die twee bestaat erin dat het geestelijke zich verwerkelijkt door middel van het drangmatige. (M78)
Volgens Scheler is de taak van de mens niet het onderdrukken van de drang, of ontsnappen aan de geest, maar dat antagonisme tussen drang en geest omzetten in harmonie. De menselijke bijdrage is het nee zeggen tegen driftimpulsen, het doen versmelten van de machtige maar blinde drang met de van huis uit zwakke, maar ontwerpende, creatieve geest. Maar hij vindt het ook denkbaar dat de mens een doodlopend slop van de natuur zal blijken te zijn. Dat moeten we afwachten. (D114) Hoe dan ook, Scheler ziet de wereldgeschiedenis als het spanningsveld waarin de versmelting van geest en drang wordt voltrokken als een uiteindelijk gebeuren in de kosmos. Een absoluut en onontkoombaar proces.
De geest heeft geen plan of voorgekookte ideeën. Ideeën uit de geest worden pas ontvouwd en verwerkelijkt vanuit de drang. De mens heeft dus EN als geest EN als drang deel aan de metafysische ‘wereldgrond’, omdat drang en geest tot nu toe alleen in de mens tot eenheid kunnen komen. Maar de mens IS niet de wereldgrond. (M78)
Mensbeeld
Scheler schrijft in dat cursusboekje zoiets als “alle oude mensbeelden zijn stuk. Laten we niet proberen scherven aan elkaar te lijmen, maar aan iets heel nieuws gaan werken”. Daar was hij mee bezig toen hij stierf. Wat waren die ‘oude’ mensbeelden? Grofweg drie:
1. het klassieke beeld, waarin de mens in de eerste plaats een redelijk wezen is, ‘animal rationale’. Het accent lag op de rede. 2. het beeld dat is ontstaan in de joods-christelijke wereld, waarin God de mens heeft gewild en gemaakt, waarin de mens beeld van God is, en waarin wij onderweg zijn naar ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ 3. het natuurwetenschappelijke beeld, sedert de 19e eeuw ook het darwinistische, waarin de mens het eindresultaat van de evolutie heet te zijn, niet wezenlijk verschillend van de dieren. (D108)
Scheler spreekt over de mens als een microkosmos. Hij ziet de mens als knooppunt in de kosmos omdat hij enerzijds als lichaam deel is van de natuur in de kosmos en anderzijds als geest deel heeft aan de logos in de kosmos. (M86)
Het antagonisme tussen drang en geest dat in het menselijk leven besloten zit, maakt dat de mens vaak met zichzelf overhoop ligt, en het leven maar moeilijk vindt. Toch kan de mens niet alleen nee zeggen tegen de drang, maar hij kan die drang zelfs buiten werking stellen of sublimeren, zoals b.v. de Boeddha gedaan heeft.
De mens is het eerste wezen waarin het leven weerstand ervaart van de geest. Die blokkeert het spontane, dwingende van de drang. Scheler ziet de mens dus ook als driftverdringer. Dat verdringen noemt hij transcenderen, overstijgen. Een mens trekt zich dan even terug, bijvoorbeeld om levenskwesties te overdenken. Zodoende heeft de mens óók kennis van de werkelijkheid die niet drangmatig is, filosofische kennis. De drang is dan even buiten spel gezet. In plaats van het drangmatige weten ontstaat dan wat hij noemt een ‘liefhebbend’ weten dat zoekt naar de wezenskenmerken van de wereld. Die worden op hun beurt weer tot springplank naar de metafysica. (M77)
Scheler onderscheidt drie vormen van kennis/weten:
1. Een weten dat in dienst staat van heersen en beheersen (Leistungs- und Herrschaftswissen). Het komt voort uit de natuurlijke of de wetenschappelijke instelling. Het gaat om macht over de natuur en over de maakbaar gedachte samenleving. Het is een zaak van het kennis vergarende verstand. Het is dranggebonden.
2. Een tweede soort weten dat niet op heersen uit is, maar het wezen van de dingen zoekt (Wesenswissen, soms ook Bildungswissen). Zeg maar filosofische kennis. Gaat over vragen als: wat is leven, denken, liefde, schoonheid, ziel, recht? Nu is het niet het rekenende verstand, maar de rede (Vernunft) Je bent dan in de voorhof van de metafysica. (D112)
3. En tenslotte is er een metafysisch of heilsweten. Bij dat weten gaat het om het Absolute, om God, om het heil van mens en wereld. De eerste vraag is natuurlijk of we voorbij die eerste twee vormen van weten überhaupt nog wel iets kunnen weten. Als aanloop naar dat moeilijke vraagstuk schoof Scheler na zijn afscheid van de kerk zijn filosofische antropologie naar voren. De mens is dan de microkosmos waarin de macrokosmos zich weerspiegelt. (Opmerkelijke gelijkenis met het Chinese denken)
De metafysica van Scheler interesseert me niet zo erg. Die wordt ergens omschreven als de metafysica van een God die niet IS, maar die — als het goed afloopt — WORDT. (D115).
‘Persoon’ als begrip was al een constante in alle eerdere filosofieën van Scheler. De persoon is product van geest en drang samen. Afzonderlijk leveren ze geen van beide een persoon. Die ontstaat pas door de interactie van drang en geest. Een mens kan dus alleen maar persoon worden door drang en geest gezamenlijk. (M82)
De geest in de mens verschijnt in het drangmatige leven als een centrum van wat Scheler ‘acten’noemt. Dat centrum maakt geen deel uit van het leven. Er vinden alleen ‘acten’plaats, handelingen aan het leven vanuit de geest zoals beschreven. Een act is als regel méér dan de optelsom geest plus drang, en in dat meerdere verschijnt de persoon. Dat betekent dat de persoon alleen bestaat in het voltrekken van acten, dat er buiten de acten geen persoon is. (Goed voorbeeld dat taal maar een gebrekkig expressiemiddel is) (M82)
De ontmoeting met een andere persoon, en het begrijpen van die ander als persoon, wordt niet verklaard vanuit het lichamelijk bestaan of via invoelen. De ander is als persoon gegeven als een onmiddellijk verstaan, nooit als een afgeleide van iets anders. Scheler noemt dat ‘het mee voltrekken van de acten’ en het ‘verstaan’ van die acten. (M83) De dan ontstaande ken-relatie wordt door Scheler beschreven als een ‘liefdevolle participatie’.(M90) Natuurlijk is er ook sprake van liefde in het drangmatige, maar dan gaat het om de feitelijke voltrekking ervan vanuit een levend organisme. (M92)
De persoon valt niet samen met het zelfbewustzijn, maar het zelfbewustzijn is wel een belangrijk moment in de wording van de persoon. Het zelfbewustzijn speelt zich af in de persoon, maar is niet de persoon. Het is het weet hebben van de herkomst van de voltrokken acten uit het ik. Zelfbewustzijn is aanwezig wanneer iemand zijn gedachten kan herkennen als de zijne.
Scheler zit in het voetspoor van de klassieke kijk op de mens. De mens is mens door het bezit van de rede, logos, phronésis, ratio of geest. (Phronésis = praktische wijsheid, het vermogen om in moeilijke situaties de juiste beslissing te nemen) Met die visie was het inzicht verbonden dat er een bovenmenselijke geest aan de gehele totaliteit ten grondslag ligt, waaraan tot nu toe alleen de mens deel heeft.
De mens verdiept zich al filosoferend steeds verder in de wezensstructuur van de wereld. Hij stapt over van de dingen naar het wezen van de dingen, van de persoon als lichaam naar de persoon als wezen. Hij overstijgt de levensdrang in zichzelf. Wat de mens daartoe beweegt, noemt Scheler liefde.
Scheler geeft uiteindelijk drie grondbepalingen van de mens als geestelijk wezen: • de mens kan een onderwerp bepalen vanuit een zakelijke inhoud, zonder de drang te laten meespelen • is in staat tot liefde die vrij is van begeerte, belang of behoefte, •en is in staat om het wezen en het bestaan van de dingen te scheiden (M77)
Ethiek:
Over Schelers ethiek houd ik het kort. Volgens Scheler is de categorische imperatief een grote verdienste van Kant geweest, o.a. door zijn universele reikwijdte. Mensen krijgen in alle situaties de plicht om eraan te gehoorzamen. Maar Kants ethiek is formeel, alleen maar vorm. De paar regels die hij toevoegt zijn haast even formeel als de categorische imperatief zelf. Als je tegen Kant zegt dat je aan zijn imperatief wilt gehoorzamen en je vraagt hem wat je moet doen in een situatie, dan krijg je geen antwoord. Je moet het zelf uitvinden, want een inhoudelijke leidraad geeft hij niet.
Tegenover dat formalisme van Kant stelt Scheler zijn waarde-ethiek (D111). In Schelers visie is er een rijk van waarden, die we niet hoeven te leren, maar die we van nature ervaren of voelen.Die waarden hebben een rangorde. In een opklimmende reeks eerst de ervaringen van lust of onlust: mensen zoeken wat ze aangenaam vinden en vermijden onlust. Een trap hoger liggen de vitale waarden, zoals jeugd, kracht, gezondheid. Dáárboven vinden we de waarden van de geest, b.v. esthetische waarden en kennis omwille van de kennis zelf.
Tenslotte zijn er de waarden van het heilige, die zich tonen in ‘absolute projecten’. In het goede handelen gaat het niet om een formele plicht à la Kant (Scheler was afkerig van dat begrip), maar om de realisering van waarden, en om het besef van de rangorde van die waarden. Een volwaardig menselijk leven is er pas als ook het heilige zijn plaats heeft gekregen. Dan is de orde van de liefde, de Ordo Amoris van Augustinus gevestigd. Dan is de mens volledig persoon geworden. En die orde is lang niet altijd congruent met de logica van de rede.
Wat vind ik er zelf van?
Zijn denkbeelden spreken mij aan, zelfs toen ik ze nog maar half begreep. Het bevalt mij dat een aantal wetenschappelijke feiten over mens en wereld er een plaats in hebben gekregen. Het bevalt mij ook dat Scheler minder stellig is dan vele andere filosofen. En dat hij ruimte laat voor eigen keuze tussen geloven en weten.
Ook zie ik zijn mensbeeld als een welkome reactie op Freuds beeld van de mens als slaaf van instincten. Het klopt met mijn gevoel dat de mens een zekere verantwoording heeft.
Sinds kort staat de levenskunst weer eens in het centrum van de belangstelling. Ik vind de filosofische antropologie een noodzakelijke voorwaarde voor de beoefening van die levenskunst in onze tijd. En ik vind dat Scheler daar waardevolle ingrediënten voor heeft geleverd.
[Bronnen: Mensbeelden uit de geschiedenis van de filosofie (M) en De Denkers (D)] |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
Mail to promeijn@promeijn.nl |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||