W IJ S H E I D

Piet Romeijn, April 1998

Schema:

• geschiedenis van de wijsheid
• wat is wijsheid
• verhouding met wetenschap en filosofie
• verhouding met ouderdom
• verhouding met de vrijmetselarij

Geschiedenis:

De wortels van de westerse wijsheidstraditie liggen, voor zover we kunnen naspeuren, in Egypte en Babylon. De oudste Egyptische wijsheidsleer stamt al uit het Oude Rijk, derde millennium voor Christus. Men legde wijze spreuken vast op wanden en in Babylon op kleitabletten. De traditie weerklinkt ook in de bijdragen van koning Salomo aan het Oude Testament.

Het Griekse ‘philo-sophia’ is letterlijk ‘wijsbegeerte’. Maar bij Homerus betekende ‘sophia’ nog de vaardigheid van de timmerman. Bij de Griekse klassiekers lag de nadruk op het intellectuele kennen van natuur, mens en kosmos. Het hedendaagse onderscheid tussen filosofie en wetenschap bestond toen nog niet. Wijsheid was onverbrekelijk verbonden met handelen, gebaseerd op ervaringskennis. Je werd wijs langs de weg van praktische ervaring, niet via theoretisch denken. Ik geloof dat dat nu nog steeds zo is.

Filosofen zijn het tot vandaag nooit eens geworden over wat wijsheid precies is. Plato achtte God volmaakt wijs. Een man was dus wijzer naarmate hij meer op God leek. Aristoteles meende dat het predikaat ‘wijsheid’ vooral toekwam aan de mannen die de beschouwende wetenschappen beoefenden, vooral de theologie. Vrouwen kwamen er toen nog niet aan te pas. De Stoa vond alleen diegenen wijs die leefden in overeenstemming met de natuur, deugdzaam, en in overeenstemming met de rechte rede. Gevoelens die dat stoorden werden onderdrukt in ‘apatheia’, gevoelloosheid. Een eeuwenlang gebruikte stoïcijnse definitie van wijsheid luidde: “de wijsheid is het totaal van de wetenschap van goddelijke en menselijke zaken”. Het was toen nog helemaal geen probleem om wijsheid en wetenschap samen te denken. De Epicuristen noemden alleen die mensen wijs die het genot als hoogste levensbeginsel kozen, om daardoor de volstrekte ‘ataráxia’, de onverstoorbaarheid, te bereiken. En dat mocht ook geestelijk genot zijn.

Slechts over één ding waren de filosofen het wél eens: mensen die schijngeluk nastreefden of meenden te vinden in het genot van alleen materiële zaken, bezit van rijkdom, eer of respect van anderen, moesten als dwazen beschouwd worden.

Voor de Romeinen hadden tradities en ervaringen uit het verleden normatieve waarde; daar moest je niet te lichtvaardig mee omspringen. Oudere personen mochten in dat verband dus op daadwerkelijk respect rekenen. Dat schijnt prachtig verwoord te zijn door Cicero, maar let wel, die had het alleen over de mannelijke helft van het mensdom, en dan nog met uitsluiting van alle lagere bevolkingsklassen.

Volgens Augustinus was wijsheid iets dat velen zoeken, maar weinigen vinden, en dan nog alleen maar in godvrezendheid, vroomheid. Een wezenlijk verschil met de antieke opvattingen was dat die het verwerven van wijsheid zagen als mogelijk gevolg van menselijk handelen, zelfrealisatie, worden wat je ten diepste bent. Je moest het dus zelf doen, maar bij Augustinus was het iets dat je van God geschonken kreeg. Voor Augustinus werd een mens niet wijzer door ouder worden, maar alleen door Gods genade.

Toen de grote middeleeuwse systemen eeuwen later in elkaar zakten, ontstond er tijdens de Renaissance een intens en polemisch zoeken naar wijsheid. En spoedig daarna begon het offensief van de wetenschap, dat tot op heden voortduurt. Kant en Hegel probeerden nog wijsheid en wetenschap met elkaar te verenigen, maar tenslotte werden wijsheid en levenswijsheid door de wetenschap buiten de deur gezet, samen met andere ‘onwetenschappelijke’ zaken als intuïtie, persoonlijke overtuiging, kennisse des harten e.d. Ik kom daar straks nog even op terug.

Wat is wijsheid?

De vraag is makkelijk gesteld, maar niet makkelijk beantwoord. Als je een vakfilosoof vraagt een lijstje te maken van kenmerken van wijze mensen in het algemeen, zullen die kenmerken meestal te maken hebben met verlangen naar inzicht in het leven, vooral in de vorm van zelfkennis. (Dat verbaast een vrijmetselaar natuurlijk niet.) Bijna altijd zullen die kenmerken uitingen zijn van levenskunst, van ervaringen van zin of zinloosheid van het leven. En omdat het leven altijd en overal anders is, is er geen algemeen geldig beeld van wijsheid te geven. Probeer b.v. maar eens onder woorden te brengen wat Socrates, Jezus, Boeddha, Erasmus en Gandhi gemeenschappelijk hadden. Je kunt één keer zeggen ‘wijsheid’, maar je krijgt het moeilijk als je die wijsheid probeert te definiëren.Er bestaat geen algemeen geldig beeld van wat een wijs mens is. Iedere cultuur heeft andere levensidealen, en de mensen die zulke idealen het best kunnen verwezenlijken, worden in die cultuur wijs genoemd, maar in andere culturen wellicht helemaal niet.

Ik noem het een en ander dat ik als kenmerken van wijsheid genoemd zag, of als denkbeelden over wijsheid:

• Wijsheid heeft altijd te maken met levenswijsheid, met de manier waarop wij met ons eigen leven omgaan, en naar andermans leven kijken. Een wijze is een persoon die weet hoe te leven.

• Wijsheid is niet hetzelfde als geleerdheid of veelweterij. Kennis en wetenschap doen er wel in mee, maar alleen als hulpmiddelen. Experts zijn ook maar hulpmiddelen. Ze kunnen situaties verhelderen waar iemand voor staat, maar niet voor hem kiezen. Dat kan de betrokkene alleen maar zelf doen. Experts zijn het trouwens maar zelden eens.

• Wijsheid krijgt haar hoogste waarde als het om problemen gaat die voorbij de grenzen van kennis, organisatie of controle liggen. Als er dus geen pasklare antwoorden zijn.

• Wijsheid is niet een ding op zichzelf, je kunt het niet ‘bezitten’. Ze is altijd onverbrekelijk verbonden met de persoon die de wijsheid belichaamt. En ze is altijd ad hoc, het gaat altijd om specifieke personen en specifieke situaties. De enige uitzondering die ik ken, is de zogenaamde ‘eeuwige wijsheid’, een term die wel gebruikt wordt voor de allerdiepste kern die alle wereldgodsdiensten gemeen hebben.

• Wijsheid heeft vaak te maken met het ingewikkelde begrip ‘zin’, b.v. als geprobeerd wordt een zinvolle benadering te vinden in levenssituaties waarin iets wezenlijks op het spel staat. Wijsheid wordt dan niet ‘bewezen’, zoals in de wetenschap, maar rechtstreeks ervaren en geaccepteerd (of — even direct — niet geaccepteerd).

• Er waren ooit gemeenschappelijk aanvaarde beelden van wijsheid, in de zin van ‘hoe te leven’. Het individu had het makkelijk, hij hoefde zich alleen maar aan te passen. Maar die gemeenschappelijke visies zijn er niet meer, in ieder geval niet meer in het Westen. De weg om wijs te worden bestaat nu uit het vinden van denkbeelden die door een voldoende aantal mensen gedeeld kunnen worden. (Rorty)

• Er is zorg over moderne ontwikkelingen. Uit een gedicht van Elliot: ‘Waar is de wijsheid die we verloren hebben door kennis? Waar is de kennis die we verloren hebben door informatie?’(Informatici hebben daaraan toegevoegd: ‘En waar is de informatie die we verloren hebben door data?’ en ‘Waar zijn de data die we verloren hebben door ruis?’)

• De filosofie, en ook de vrijmetselarij, brengen geen wijsheid. Ze leveren ons alleen maar bouwstenen voor wijsheid. Ook voor wijs worden geldt ‘Op U komt het aan’.

• De vele spreekwoorden en gezegden zijn residu van ontelbare ad hoc - situaties. Ze hebben geen algemene geldigheid, en zijn dus vaak onderling tegenstrijdig. Denk maar aan het naast elkaar bestaan van de gezegden ‘De wijsheid komt met de jaren’ en ‘Hoe ouder hoe gekker’.

• Wijsheid gaat vaak gepaard met zelfkritiek en spot. ‘Houdt Uzelf niet voor wijs’ zei een oude farao al. Van jezelf zeggen dat je wijs bent is niet gepast. Eventueel mogen anderen het zeggen, maar dat gebeurt meestal pas als de persoon dood is. Gepraat erover klinkt al gauw hoogdravend en hol. Nietzsche: ‘Das ist das Seltsame an einem Weisen, wenn er zu alledem auch noch klug und kein Esel ist’.

Verhouding met wetenschap en filosofie

Na de Middeleeuwen werd de wetenschap steeds dominanter. Zo dominant, dat het ons heden ten dage moeite kost om te beseffen, laat staan accepteren, dat er wel degelijk ook andere waardevolle kennisbronnen zijn dan alleen de wetenschap

Die dominantie heeft de wetenschap te danken aan de aanvankelijke geweldige effectiviteit van haar omgang met de natuur, via de natuurwetenschappen. Dat is nog steeds de belangrijkste reden waarom over de hele wereld wetenschap wordt beoefend. Maar de problematische gevolgen van die dominantie zijn bezig duidelijker te worden.

En ook blijkt steeds meer dat de wetenschap de wijsheid wel kan verdringen, maar niet kan vervangen. Zoals de wetenschap het zo mooi zegt:

‘die bonte verzameling van uiteenlopende vormen en tradities van kwalitatief inzicht, bekend onder de term ‘wijsheid’ of ‘levenswijsheid’, leent zich niet voor een wetenschappelijke aanpak’.

Dat zou op zichzelf nog geen probleem zijn, ware het niet dat de wetenschap in brede kring nog steeds gezien wordt als de enige betrouwbare weg tot ware kennis. Als ik iets beweer dat ik zeker weet, vindt mijn gesprekspartner dat hij die bewering volkomen ontkracht heeft als hij heeft geconstateerd dat ik ‘het wetenschappelijk bewijs niet kan leveren’.

Niettemin levert de wetenschap toch bijdragen aan wijsheid, b.v. door empirisch cognitief-psychologisch onderzoek. Zo citeerde een schrijver zo’n onderzoek naar de levensfasen van de mens. Hij ontkwam natuurlijk niet aan de onvermijdelijke vakjesindelingen, maar het was toch interessant om kennis te nemen van een paar uitkomsten:

• er zijn geen algemene wetmatigheden gevonden binnen het verschijnsel ouder worden

• de term ‘ouderen’ is een onhanteerbare generalisatie (reikt in het spraakgebruik tegenwoordig van 50 tot 100 jaar)

• verbanden tussen kennisniveau en leeftijd kunnen niet worden vastgesteld, laat staan verbanden tussen wijsheid en leeftijd. De individuele verschillen zijn te groot, zelfs bij ouderen uit hetzelfde geboortejaar

• de ‘cognitieve plasticiteit’ van ouderen blijkt aanzienlijk te zijn. (Cognitieve vermogens van jonge volwassenen zijn inderdaad groter dan die van bejaarden (60+), maar de cognitieve prestaties kunnen ook op hoge leeftijd door leren beïnvloed worden).

Een ‘oudere persoonlijkheid’, wetenschappelijk gedefinieerd, bestaat dus niet.

Verder doet de wetenschap op haar manier ook nog empirisch onderzoek naar de wijsheid zelf. Men heeft een eigen theoretische constructie van wijsheid gemaakt, die nog maar heel in de verte met de oude wijsheidstradities te maken heeft. Uitgangspunt is een onderscheid tussen de mechanica en de pragmatica van de intelligentie. De mechanica gaat op hoge leeftijden langzamer functioneren, maar dat schijnt gecompenseerd te kunnen worden door meer ervaring. Men probeert te onderzoeken of bepaalde dingen uit de pragmatica misschien ‘wijsheid’ genoemd zouden kunnen worden. Men laat b.v. een casus beoordelen en toetst dat oordeel aan veronderstelde wijsheid-experts. Een theoretische definitie van wijsheid wordt dan b.v.‘een expert kennissysteem in het domein van fundamentele levenspragmatica’. In mijn taal: ‘wijsheid is een goed oordeel en advies inzake belangrijke maar onzekere levenskwesties’ (W146)

Maar, geheel conform de geest van de tijd, ligt aan al die onderzoekingen het prestatieprincipe nog ten grondslag. Men wil ‘scores’ van oud en jong vergelijken. Goed oud worden wordt dus als een meetbare prestatie opgevat. (W146)

Het verband tussen wijsheid en filosofie is in de loop van de tijd losser geworden. Logisch, want het begrip wijsheid veranderde van karakter, en de filosofie ook. Vooral de moderne vakfilosofie, van de laatste paar eeuwen, is een discipline voor ingewijden geworden, met een eigen jargon, waar de doorsnee burger niet veel aan heeft. De postmoderne filosofie schroeft van alles los, berooft ons van allerlei illusies, maar heeft aan wijsheid niets kant-en-klaar te bieden. Wetenschap, filosofie, en trouwens ook vrijmetselarij, hebben best wel het een en ander in de aanbieding, maar alleen stukken en brokken, die we zelf tot zoiets als wijsheid moeten proberen te metselen.

Verhouding met ouderdom:

Het is goed om even te bedenken wat de hedendaagse 60-plussers in hun botten hebben zitten: de armoe van de crisisjaren, de Tweede Wereldoorlog met z’n hongerwinter, de wederopbouw met z’n harde werken, de jaren zestig met nooit gekende welvaart en revolutionaire cultuurverandering, de opbouw en de langzame afslanking van de verzorgingsstaat, en het jongste no-nonsense beleid met zijn bezuinigingen en werkloosheid.

Vele ouderen hebben het gevoel dat ze een verandering hebben beleefd van gedisciplineerde burgers naar vrije burgers. In hun jeugd leerden ze wat ze moesten nastreven: werken, klimmen op de sociale ladder, gezin stichten, kinderen tot goed oppassende staatsburgers maken. In een levenskader met heel weinig twijfels. Alles hoorde zo. Je kende je plaats in de samenleving en als je die vergat merkte je dat direct. Het was een uitgesproken normatieve tijd, met neiging tot moraliseren, preuts, hiërarchisch, maar wel veilig en beschermd.

In de jaren zestig ging alles op de helling. Onze seksuele moraal, ons arbeidsethos, onze spaarzaamheid, ons gevoel voor hiërarchische verhoudingen en onze gezinsstructuur. Geen wonder dat vele ouderen af en toe niet meer weten welke kant ze op moeten. Van veilige burgers werden ze vrije burgers die zelf de zin van hun leven maar moesten vinden. Fromm was er al vroeg bij om dat proces te signaleren in zijn Angst voor de Vrijheid (K24)

Er bestaat overeenstemming over het feit dat wijsheid niet vanzelfsprekend komt met de jaren, en dat ook jongeren in wijsheid kunnen groeien.

Ooit was het bezit van alle kennis van een cultuur een vorm van wijsheid. Maar dat is nu gewoon niet meer mogelijk. Sterker nog, de hedendaagse dynamiek van snelle veranderingen werkt juist niet in het voordeel van oudere geleerden.

Om dezelfde reden is ook het hebben van veel arbeidservaring een dubieus voordeel. De flexibiliteit die op de moderne arbeidsmarkt wordt vereist betekent voor ouderen eerder nadeel. (W150)

Langere levenservaring is in principe een wezenlijk voordeel, maar dat komt het best tot zijn recht in een samenleving waar de normen en waarden en de gedragspatronen niet of maar heel langzaam veranderen. Dus niet in onze hedendaagse samenleving. Integendeel, grotere levenswijsheid claimen omdat je 70 jaar bent, wekt argwaan, soms zelfs spot. Zo ontstaat er een paradoxale situatie: enerzijds wordt het traject ‘ouderdom’ langer omdat meer mensen in gezondheid ouder worden, en omdat men 55+ al oud gaat noemen, terwijl het anderzijds onduidelijker is geworden wat die ‘ouderen’ voor de samenleving nog zouden kunnen betekenen.(W150)

Het nadenken over de betekenis van ouder worden is verre achtergebleven bij deze ontwikkelingen. De aandacht gaat sterk uit naar medische kennis van de zg. ouderdomsziekten, wetenschappelijk inzicht in gedrag en functioneren van ouderen, en naar financiering en organisatie van materiële voorzieningen. Maar er is ook behoefte aan inzicht in zinvol ouder worden. (W150).

Ik las ergens een proeve van zo’n benadering onder de noemer tijd. Wát wijsheid of levenswijsheid ook mogen zijn, ze vergen tijd. Tijd voor nadenken, bespiegelen, afwegen, enz. In de centrale domeinen van onze samenleving lijkt die tijd er niet meer te zijn. De homo accelerandus wil alles steeds sneller doen en beleven. Hij wil tijd winnen, maar eindigt met steeds minder tijd. Alleen ouderen, die niet meer aan die mallemolen hoeven mee te doen, hebben nog tijd om energie te steken in wat uiteindelijk het belangrijkste is, niet alleen voor de jongeren, maar ook voor zichzelf. (W151)

Tot zover gaat het om gezichtspunten vanuit de samenleving. In het boek Grote filosofen over jeugd en ouder worden las ik een bijdrage over Abraham Heschel, 1907-1972, rabbijn, godsdienstfilosoof en mysticus, maar bepaald geen kamergeleerde. In de VS wordt hij als een van de belangrijkste godsdienstige denkers van onze tijd beschouwd. Ik citeer daar een beetje uit, omdat hij het vraagstuk van ouder worden niet vanuit de samenleving, maar vanuit het individu benadert.

Ooit was de oudere mens iemand om naar te luisteren. Maar dat luisteren is niet realistisch als de ouderen niets te zeggen hebben dat betekenisvol is. Dat laatste lijkt in onze tijd vaker regel dan uitzondering te zijn. De ouderdom is helaas voor velen vaak een periode van leegte die gevuld moet worden, niet meer dan lijden aan verstrijkende tijd. De enige remedie volgens Heschel is het bestaan weer als betekenisvol te gaan ervaren. Niet je laten vermaken of het hebben van een hobby kunnen het bestaan diepte geven. Het is nodig je te verdiepen in gedachten die wat verder reiken. (W125). (Het opkomende HOVO is b.v. een van de mogelijkheden.)

Heschel spitst dat toe op de vraag ‘Wie heeft mij nodig?’. Want wanneer niemand mij meer nodig heeft, verliest mijn leven zijn betekenis. Dat gaat een stapje verder dan het gevoel ‘ergens bij te horen’. Het betekent innerlijke groei, tegen de bestaande opvatting in dat ouderdom het omgekeerde van groei is. Voor Heschel is de ouderdom juist rijk aan mogelijkheden om de dwaasheden van een mensenleven af te leren, zelfbedrog te doorzien, begrip en mededogen te verdiepen, afleren te denken in termen van concurrentie. Helaas komen velen daar niet aan toe in een samenleving waarin alles alleen maar naar economisch nut wordt beoordeeld. Kort gezegd: de vraag moet niet zijn wat ik van het leven zal ontvangen, maar wat het leven, de samenleving van mij zal ontvangen. (Verwant met Frankl) (W125)

Russell zegt iets soortgelijks: menswaardig leven vergt een bron van zingeving die ons dagelijks leven transcendeert. Vanuit die bron kan op de uitdagingen van het bestaan ingegaan worden, in de hoop dat de liefde zal overwinnen. Russell heeft dat met zijn eigen levensloop geïllustreerd. Hij zag in de 20e eeuw dingen als bijgeloof, wreedheid en egocentrisme toenemen, ontwikkelde een eigen visie, en leefde naar die visie. (W106,121)

Wijsheid en Vrijmetselarij

Van het drietal Wijsheid, Kracht en Schoonheid wordt wijsheid naar mijn smaak volkomen terecht als eerste genoemd. Het produkt van de vrijmetselarij, dat de Commissie ToekomstVerkenning ‘persoonlijk rendement’ noemde, is niet eenduidig, maar bijna per persoon verschillend. Vraag het aan tien verschillende vrijmetselaren, en de kans is groot dat je tien verschillende antwoorden krijgt.

Wat hierna komt is dus mijn persoonlijke visie. Ik ga niet proberen mijn ‘persoonlijk rendement’ te beschrijven. (Dat heb ik al eens eerder gedaan). Ik beperk mij nadrukkelijk tot het begrip wijsheid. In dit geval ook nog in een nauwere definitie, met het accent op ‘levenskunst’, de wijsheid hoe te moeten leven, de zingeving aan mijn eigen leven. Ik onderscheid dan in de vrijmetselarij drie ‘bronnen’ van wijsheid: het ritueel, de comparities, en de omgang met mijn broeders.

Op die manier bekeken is voor mij het verband tussen het ritueel en mijn levenswijsheid indirect. Het verband tussen de comparities en mijn levenswijsheid is direct. Vooral als de kwaliteit van het bouwstuk of van de discussie naar mijn mening hoog is. Het deed mij genoegen in het AMT te lezen dat er meer broeders zijn die het wezen van de vrijmetselarij in de comparities zoeken. Het verband tussen de omgang met mijn broeders en mijn levenswijsheid is er altijd, omdat die niet van de loge afhangt, maar van de wisselwerking tussen mij en de ander.

Bronnen:

W = H.E.S. Woldring, red., Grote filosofen over jeugd en ouderdom, ISBN 9026313721

K = Gerard Koek, Verlangen naar wijsheid, ISBN 9055733113

Pietkoprand
terug

Mail to

promeijn@promeijn.nl

terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug terug terug terug terug terug terug