HET BELANG VAN ONS WERELDBEELD Piet Romeijn, januari 1991
De vorige keer hebt U in vogelvlucht gehoord over de ontwikkeling van het leven op de aarde, conform de theorie dat de aarde als een levend organisme beschouwd kan worden, de Gaia-theorie. Dat was een erg lang verhaal, daarom nu de kortste versie ervan: de evolutie bestond tot nu toe uit vier stappen:
1. energie
Ik roep twee begrippen in Uw herinnering terug, omdat ze in dit verhaal opnieuw voorkomen. Ten eerste het holon, een natuurlijke eenheid, die bestaat uit kleinere holons, maar ook onderdeel is van een groter holon. Ieder ecologisch systeem is een holon, ook het menselijk lichaam is een holon. Het tweede begrip is ‘wederzijdse consistentie’, voorwaarde voor het voortbestaan van iedere levensvorm. De longen zorgen voor het lichaam, en het lichaam zorgt voor de longen. Als een van de twee faalt, sterven beide. Sommige insectensoorten leven van de nectar van plantensoorten waarvoor ze tevens de bestuiving verzorgen. Ze onderhouden dan elkaar, of ze sterven beide uit.
Ik had U toegezegd dat ik zou proberen een antwoord te geven op de terechte vraag 'interessant verhaal, maar wat doe ik er mee?'. Daar heb ik het moeilijk mee gehad. Omdat het om het leven zelf gaat, kun je er onnoemlijk veel kanten mee uit. Vrienden hebben mij de raad gegeven om te beginnen met een vraagstelling, zo concreet mogelijk geformuleerd, om de toehoorder een kader te bieden om mee denken.
Dat zijn deze vragen geworden:
1. Gedraagt de mensheid zich gunstig of ongunstig voor de kans op voortbestaan van de menselijke soort?
Ik neem eerst VRAAG 2, want als je daar 'nee' op zegt, dan wordt de rest een stuk minder relevant. Een bioloog zei mij dat hij geen nut zag in hoofdbrekens 'want de evolutie gaat toch z'n eigen gang'. Ik ben het daar niet mee eens, maar had weinig argumenten voor het tegendeel. Evolutie begint vaak met veranderend gedrag. Nooit van een hele soort tegelijk, maar van enkele individuen, en dan gaat de natuurlijke selectie z'n gang, en de uitkomst valt pas honderden generaties later. We hebben als menselijke soort het vermogen tot keuze gekregen, en dat heeft die bioloog dus gebruikt. Mijn keuze is dat de mens zich wél druk moet maken. Elk levend wezen heeft altijd gedrag ontwikkeld dat op overleving uit is, en mijn keuze lijkt mij een natuurlijke. Ik denk dat ik anders nooit aan dit verhaal begonnen zou zijn. Ik zie dat zelfs de grootste cynicus zich inzet voor de toekomst van z'n kinderen, en wat is dat anders dan het voortbestaan van de soort?
Ik pak nu VRAAG 1: ik probeer eerst analogieën te ontdekken met vorige stadia van de evolutie. Bij de menselijke soort zien we naast elkaar concurrentie, strijd, en samenwerking, een vertrouwd beeld in de evolutie achter ons. We zien daar ook voorbeelden van in de dierenwereld. Vele malen kreeg samenwerking de overhand, en daaruit resulteerden dan nieuwe levensvormen, steeds complexere. B.v. de stap van de bacteriën naar de eukaryoten, de 1000 maal grotere supercellen, met een gemeenschappelijke kern van gezamenlijk DNA-materiaal. Of de stap van ééncellige naar meercellige wezens, waaruit tenslotte planten, dieren en mensen ontstonden. Die toenemende complexiteit is op zichzelf al gunstig, want complexe organismen blijken zich beter te kunnen aanpassen aan veranderingen of crises dan eenvoudige.
Onze samenleving toont ontwikkelingen die je zou kunnen interpreteren als een poging van miljarden holons 'mens' om het grotere holon 'mensheid' te doen ontstaan. Je kunt aardige vergelijkingen maken tussen die twee als je in functies denkt, dus niet in uiterlijke vormen. De organen van het mensenlichaam zijn dan de landen en de volken. De lucht- en vaarroutes en de oliepijpleidingen zijn dan transportsystemen als bloedsomloop en lymfstelsel. Onze bibliotheken en data-banken zijn het geheugen. Onze snelle mondiale communicatienetwerken zijn het zenuwstelsel. Onze pogingen om regionale statenbonden en een wereldbestuur te vormen zijn hersenen in wording. Zo kun je de WHO zien als orgaan voor mondiale gezondheidsbewaking, de UNICEF als mondiale kinderzorg, de FAO als de toekomstige hersenkwab voor de voedselvoorziening, enz. Voor belangstellenden heb ik hier een tabel waarin 19 kenmerken van een algemeen levend systeem worden vertaald naar subsystemen op het niveau van een mens, van een land, en van de hele biosfeer.
Gedrag dat tot zulke ontwikkelingen leidt lijkt dus gunstig in de zin van vraag 1, zelfs als het nog vele malen mislukt, want vallen en opstaan is altijd normaal geweest bij evolutie. Als je de vergelijking nog even volhoudt, dan kun je zeggen dat de transportsystemen en de communicatiestructuren wel zo'n beetje klaar zijn voor de sprong, maar de organen (de landen) moeten nog veel leren. Ze kennen wel al specialisatie (energie, grondstoffen, voedselproduktie, industriële produktie, financiering, enz), maar er wordt nog niet eerlijk genoeg geruild b.v. Het wereldbestuur, de hersenen, zijn er nog lang niet klaar voor, al zal de optimist wijzen op de vooruitgang sinds de Volkenbond uit de 20er jaren, op de ontwikkeling van de Europese Gemeenschap, en op de Universele Rechten van de mens.
Let wel, het voorgaande is geen voorspelling, maar een gedachtenexperiment. Maar als genoeg mensen het willen, dan gebeurt het. Er bestaan ook nog andere speculaties: Peter Russell ziet een evolutie van de menselijke soort naar een soort superorganisme, het superbrein van Gaia, met de mensen als hersencellen. Russell ziet een wereldbevolking van 10 miljard mensen als een kritisch punt, want hij heeft uitgerekend dat Ongeveer 10 miljard atomen een macromolecule vormen, 10 miljard macromoleculen een menselijke cel, en dat de menselijke hersenen ongeveer 10 miljard cellen bevatten.
Er zijn meer ontwikkelingen die je als gunstig kunt beschouwen: denk aan allerlei internationale verbanden waarin mensen samenwerken over staatsgrenzen en cultuurverschillen heen, ongeacht de houdingen van hun landsregeringen (Greenpeace, Rode Kruis, Amnesty International, kunstenaars, wetenschappers, vakbonden) Dat is ook gunstig gedrag in de zin van vraag 1.
Het beeld wordt somber als we kijken naar ded wederzijdse consistentie tussen de mens en zijn omgeving. Is het gesprek van de dag, hoef ik niet over uit te weiden. Lucht, water en bodem raken vergiftigd, hele ecologische systemen zijn vernietigd of aangetast. We hebben profeten en doemdenkers in alle maten en soorten, maar zeker is dat het menselijk gedrag op dit punt ongunstig is als je het bekijkt door de bril van de evolutie.
Met nog steeds vraag 1 in gedachten neem ik nu een paar eigenschappen bij de kop die kenmerkend zijn voor onze hedendaagse samenleving, en dan vooral eigenschappen waarin we ons onderscheiden van eerdere levensvormen. Ik denk aan overheersing, agressiviteit, hebzucht, de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, en gelijkschakeling.
OVERHEERSING is een opvallend kenmerk van menselijke samenlevingen. De mannelijke helft overheerst de vrouwelijke helft. Een paar machtige landen overheersen de andere, soms nog met geweld, meestal subtieler. Overal vind je hiërarchische systemen van klassen, kasten, rassen of andere groepen. Dictaturen, niet alleen politieke, zijn nog volop in zwang. Het is vooruitgang dat het verschijnsel door steeds meer mensen niet meer vanzelfsprekend wordt gevonden, en vaak wordt bestreden. Denk aan de nagenoeg verdwenen absolute monarchieën, en aan de absolute macht van de kerk in de middeleeuwen.
Gunstig of ongunstig? Bezien door de bril van de evolutie: complexe systemen kunnen niet zonder leiding en besturing, dus in die zin gunstig. Maar niet als die leidt tot honger, uitbuiting, onderontwikkeling, of uitsterven van hele culturen. Voorlopige conclusie dus: overheersing hoeft niet ongunstig te zijn, maar is het nu nog wel. Of anders gezegd: overheersing OK, mits met voldoende wederzijdse consistentie.
AGRESSIVITEIT. Alle levende wezens hebben aangeboren neigingen om hun behoeften te bevredigen, een partner te vinden, hun jongen groot te brengen, enz. Daarbij zijn evolutionair conflicten onvermijdelijk, maar bij dieren zorgen aangeboren gedragspatronen ervoor dat die conflicten maar zelden dodelijk aflopen. Mensen zijn met diezelfde neigingen begiftigd, maar die moeten hun gedragspatronen voor conflictbeheersing zelf maken. Dat proces hebben we ethiek genoemd. Tot nu toe hebben we daarmee nog niet de 'hoogte' van de dieren bereikt. Volgens Vroon is in het dierenrijk de agressie tussen soortgenoten omgekeerd evenredig met de kracht van de natuurlijke wapens. Ratelslangen kunnen elkaar makkelijk doodmaken, maar ze doen het niet. Duiven kunnen elkaar weinig kwaad doen en zijn agressief (onderling). De mens heeft weinig krachtige natuurlijke wapens en de onderlinge agressie is dus groot. Voor het voortbestaan van de soort zou dat weinig uitmaken, ware het niet dat de menselijke hersenen wapentuig hebben uitgevonden dat alle natuurlijke wapens aan moorddadigheid overtreft. Nu kunnen we wachten tot onze onderlinge agressie zich genetisch heeft aangepast, maar het is natuurlijk beter en ook aangenamer als we onze hersenen tevens gebruiken voor culturele aanpassingen in plaats van zelfmoordpogingen.
Er is lang gekibbeld over de vraag of de menselijke agressie biologisch of cultureel bepaald is, maar de theorie wint veld dat het verschijnsel systematisch geweld (wat wij nu oorlog noemen) in de vroegste geschiedenis van homo sapiens niet voorkwam, dat het pas begon toen landbouw ging leiden tot grondbezit en voedselvoorraden.
Omdat de wereldbevolking sinds die oudste tijden minstens verduizendvoudigd is, is het een angstig idee dat die groei de laatste tijd zo explosief gaat. Want gebrek aan ruimte en gebrek aan voedsel zijn bekend als veroorzakers van agressie. De gedachten gaan dus in de richting van een eerlijkere verdeling van voedsel tussen arme en rijke landen, en het tegengaan van urbanisatie in derde wereldlanden.
De wetenschap heeft zich verdiept in de vraag welke varianten van het thema samenwerking het best uitwerken voor het voortbestaan van de soort. Men maakte onderscheid tussen individuen die conflicten met soortgenoten uit de weg gaan ('duiven'), en het tegenovergestelde daarvan, 'haviken' (uiteraard niet als soort, maar als gedragstypen binnen een soort). Alleen duiven of alleen haviken bleken evolutionair niet stabiel. Het bleek dat een verhouding in de buurt van 30:70 het meest stabiel was. Men hield een wedstrijd tussen computersimulaties waarin verschillende samenwerkingsstrategieën tussen soortgenoten werden uitgeprobeerd. Als winnaar kwam een eenvoudige strategie 'leer om leer' uit de bus. Tegenover ieder individu stel je je coöperatief op, en je verwacht van hem of haar hetzelfde. Bedriegt hij je, dan stel je je de volgende keer als havik op, en zet je het hem betaald. Dan is alles vergeven en vergeten en wordt er weer samengewerkt. De biologische vereisten zijn dat de individuen elkaar kunnen herkennen, genoeg geheugen hebben, en voldoende haviksgeest hebben. Het is een strategie die waarschijnlijk zal blijven bestaan als hij eenmaal heeft post gevat. Vlinders b.v. voldoen niet aan die vereisten. Net als veel andere dieren hebben die een veel eenvoudiger strategie: 'Na U', wie het eerst komt het eerst maalt.
Alles tezamen genomen: de agressiviteit van de mens in z'n huidige omvang en zwaarte is bedreigend voor het voortbestaan van de soort, dus contra-evolutionair, maar helemaal zonder agressiviteit gaat het ook niet.
Met HEBZUCHT bedoel ik de eigenschap dat de mens als enige soort meer neemt dan nodig. Bij planten en dieren wordt alles op natuurlijke wijze gedeeld. De behoefte bepaalt wat het dier neemt, en de soort verspreidt zich daardoor op natuurlijke wijze zover als de middelen reiken. Als de behoeften de middelen overtreffen, vermindert het aantal individuen van de soort. Bij de mens schijnt er geen grens te zijn aan wat hij neemt, desnoods het duizendvoudige van zijn behoefte. Volgens mij is deze eigenschap ongunstig voor het voortbestaan van de soort. De evolutie vraagt wederzijdse consistentie, d.w.z. dynamisch evenwicht tussen eigen belang en groter belang, evenwicht tussen 'ik' en 'wij'.
ONGELIJKHEID tussen mannen en vrouwen is nog maar een paar duizend jaar oud, en de tekenen van een kentering zijn er al. Heel vroeger was er geen ongelijkheid. Biologisch sloeg de balans door in vrouwelijke richting. Naar mijn mening kan het niet gunstig zijn voor het voortbestaan van een soort als die te lang de helft van z'n populatie buiten spel zet. Het zou me zelfs niet verbazen als de fouten in onze jonge ontwikkelingen mede aan deze ongelijkheid te wijten zijn.
Met gelijkschakeling doel ik op de neiging van onze samenleving naar uniformiteit en naar consensus, het willen verminderen van verscheidenheid. De hele wereld schijnt de moderne westerse cultuur alleenzaligmakend te vinden (of te moeten vinden?). Geloofsverschillen worden bestreden (kruistochten, jihad). Fabrikanten willen gestandaardiseerde consumenten. Discriminatie betekent het niet accepteren van verschillen. Het klonen van planten en dieren vermindert de natuurlijke variatie en stopt de evolutie. Monoculturen idem, denk maar aan de toenemende behoeften aan bestrijdingsmiddelen. Als de regenwouden verdwenen zijn, hebben we de helft van de variatie aan bestaande plant- en diersoorten verloren, enz. En dat terwijl we weten dat in de evolutie verscheidenheid voorwaarde is voor stabiliteit van het leven, voor het bestand zijn tegen ziekten en calamiteiten. Gelijkschakeling is dus contra-evolutionair, en zou vervangen moeten worden door het motto 'leve de verscheidenheid'.
Zo kom ik aan VRAAG 3. Kunnen we ons gedrag veranderen? Ja, de vermogens daartoe zijn ons geschonken. Moeten we ons gedrag veranderen? Ja, vind ik, want de wederzijdse consistentie tussen ons en onze omgeving b.v. is ernstig geschaad, en onze bewapeningswedloop kan gemakkelijk tot collectieve zelfmoord leiden. Wat die 'voortstuwende wereldorde' ook moge zijn, we zijn hem aan het dwarsbomen.
Hoe moeten we dan ons gedrag veranderen? Naar mijn mening is het niet mogelijk daartoe op individueel niveau concrete aanbevelingen te doen. Dat lukt me bij mijzelf niet eens. Maar toch is er bij mij door het lezen en verwerken van de stof iets veranderd, onder andere mijn wereldbeeld. En mijn hoop is dat U na het aanhoren van en het nadenken over mijn verhaal ook Uw wereldbeeld zult veranderen. Voordat ik daarop doorga, moet ik eerst aan het begrip wereldbeeld wat handen en voeten geven. Het is een term die in de menswetenschappen alom gebruikt wordt.
Van alle levende wezens, ook van de mens, wordt het gedrag bepaald door hun wereldbeeld. Bij zeer eenvoudige schepsels gaat dat heel direct en volautomatisch. Bij hogere wezens is het verband wat minder direct, omdat er tussen de prikkel uit de omgeving en het gedrag allerlei tussenstations zitten, van eenvoudige zenuwcellen tot complete zenuwstelsels en hersenen. Bij de mens het allermeest, en dan zit er bij elk individu ook nog alles tussen wat dat ene individu vergaard heeft aan kennis, persoonlijke ervaringen, ideeën, opvoeding studie, gevoelens, vrucht van nadenken, enz. Ik noem dat alles tezamen gemakshalve maar even de menselijke geest. Die geeft de betekenis aan alle informatie die binnenkomt, en kiest gedrag, of vormt wereldbeeld via het geheugen. Natuurlijk wordt niet iedere binnenkomende prikkel steeds door die hele molen gedraaid. Ieder mens vormt tijdens zijn leven denkschema's, gedragspatronen, normen en waarden, vooroordelen, enz., die als een soort bibliotheek snel geraadpleegd kunnen worden. Maar die bibliotheek wordt samengesteld uit het wereldbeeld van het individu, en voortdurend aangevuld en gewijzigd. Voorbeelden: als U gaat nadenken over mijn opmerkingen over het evolutionaire belang van verscheidenheid, kan het gebeuren dat primitieve culturen of afwijkende meningen in Uw wereldbeeld een ander plaatsje krijgen, en dat Uw gedrag bij de eerstvolgende gelegenheid toleranter wordt.
Of: als in Uw wereldbeeld het individuele belang altijd zwaarder weegt dan het collectieve belang, dan zal Uw gedrag lijken op het ideaaltype van de kapitalist. Is Uw wereldbeeld precies omgekeerd, dan zal Uw gedrag meer lijken op het ideaaltype van de communist. Een besef dat de natuur tussen eigenbelang en collectief belang dynamisch evenwicht vraagt, zal U qua wereldbeeld een middenpositie doen innemen. Uw reactie op mijn verhaal zal mede bepaald worden door de mate waarin het een aanslag doet, of niet, op Uw wereldbeeld, want mensen veranderen hun wereldbeeld niet graag, op zichzelf begrijpelijk natuurlijk.
Iedere soort krijgt het wereldbeeld mee dat nodig is om te blijven voortbestaan. Simpele wezens kunnen hun wereldbeeld niet veranderen, hogere dieren al een beetje, maar de mens kan z'n wereldbeeld zelf kiezen. Gelukkig heeft de natuur ervoor gezorgd dat dat niet nodig is voor onze vitale functies. Net als bij de simpelste wezens reageren onze hartslag, onze ademhaling, onze interne klieren, en nog wat van die essentiële functies zonder dat we hoeven na te denken. Zonder dat zou de menselijke soort allang uitgestorven zijn.
De niet-menselijke levensvormen kunnen alleen maar handelen alsof hun wereldbeeld het enige bestaande is. Ook de mens heeft dat misverstand heel lang gekoesterd: ('ik zie het goed, en alle andere mensen zien het dus fout'). Daar zijn oorlogen om gevoerd. We weten nog maar heel kort dat ieder mens z'n eigen wereldbeeld schept en kan veranderen, en pas in de 20e eeuw is het besef ontstaan dat er geen enkel volledig en waarheidsgetrouw wereldbeeld bestaat. Nieuw is ook onze ontdekking dat de meeste mensen desgewenst hun wereldbeeld zelf kunnen ontwikkelen in plaats van het gedicteerd te krijgen.
Als de soort evolueert, evolueert het wereldbeeld mee. Dat gebeurt ook bij de mens, in de vorm van culturele evolutie, die veel sneller gaat dan de biologische evolutie. Die versnelling is in hoge mate te danken aan onze taal, vooral onze geschreven taal.
Ik ga nu in vogelvlucht door de jongste geschiedenis van de menselijke soort, steeds in de context van de evolutie van het menselijke wereldbeeld. Van de ongeveer 100.000 jaar Homo Sapiens kunnen we de laatste 30 a 40.000 jaar min of meer overzien. Er komen steeds meer aanwijzingen dat gedurende het grootste deel van die tijd wederzijdse consistentie bestond tussen mens en natuur. Toen jagen en verzamelen de enige voedselbron waren, dicteerde de natuur. Toen landbouw ontstond en men dieren ging domesticeren, ging de mens de natuur veranderen. In de laatste ijstijd bepaalde weer de natuur waar en hoe de mens kon leven. In die oertijd moet het menselijk wereldbeeld hebben ingehouden dat men zichzelf als een onderdeel van een levende natuur zag, met de natuur als de grote moeder, die bemind, gevreesd, en geëerbiedigd moest worden. Alle vondsten wijzen op vreedzame samenlevingen, met weinig maatschappelijke geledingen en tenminste gelijke rollen van mannen en vrouwen. Er zijn uit die eerste tijd geen sporen gevonden van oorlogvoering, vestingwerken of slavernij. Er zijn idolen gevonden van vrouwelijke figuren, godinnen of vruchtbaarheidssymbolen, maar niet van jagers, krijgers, of wat als mannelijke goden beschouwd zou kunnen worden. Het Minoïsche Kreta wordt zo'n beetje als de laatst levende van dat soort samenlevingen gezien.
Zo rond 5000 jaar voor Christus ging het menselijke wereldbeeld ondersteboven. De vreedzame landbouwgemeenschappen werden door gewapende stammen onder de voet gelopen. Die maakten maatschappijstrukturen en dus wereldbeelden die gebaseerd waren op mannelijke superioriteit. De heersers projecteerden hun zelfbeelden op autoritaire, gewelddadige goden. Vrouwen werden verhandelbaar bezit. Partnerschap werd overheersing. Moedergodinnen verdwenen of werden gedegradeerd. De moedergodin als personificatie van de levende natuur werd vervangen door het idee dat de natuur los staat van de mens, geschapen door een god, bestuurd door een god, later zelfs als een gift van god aan de mensen, om gebruikt te worden. De heersers claimden een speciale relatie met god, of werden zelf een god (farao's), en dus waren ze eigenaars van alles, of althans beschikkers over alles.
Na die invasiegolf heersten patriarchaal-godsdienstige wereldbeelden. De wereld was verdeeld in grote koninkrijken en keizerrijken, die met legers elkaar bevochten en hun onderdanen tot gehoorzaamheid dwongen. Zonder beter te weten zijn we die rijken de bronnen van onze beschaving gaan noemen. Begrijpelijk omdat we van het voorafgaande niets wisten, en omdat pas in die tijd schriftelijke bronnen ontstonden. Dat illustreert het belang van het schrift voor evolutie: vraag U maar eens af wat ons beeld van de Griekse klassieken zou zijn als er alleen maar mondelinge overlevering bestaan zou hebben, en wat de christelijke scholastiek er dan van gemaakt zou hebben.
Gelukkig was het niet allemaal geweld en overheersing. Er bleven denkers met aanhangers bestaan, (in Anatolië, Perzië, India en China), die de natuur bleven zien als iets dat leeft en zich van binnenuit voortdurend verandert, op zoek naar dynamisch evenwicht tussen tegengestelde krachten als licht en donker, goed en kwaad, schepping en vernietiging, yin en yang, chaos en orde, enz. Steeds nog godsdienstige wereldbeelden. Griekse filosofen maakten een begin van een wetenschappelijk wereldbeeld (Mileziërs). Ze probeerden de wereld te verklaren alleen uit wat ze konden waarnemen. Ze vroegen zich b.v. af waarom ieder wezen in de natuur z'n rol speelt zonder dat iemand het vertelt wat z'n taak is, en waarom orde en wanorde zich in de natuur zo mooi afwisselen. Het getuigt van hun visie dat ze toen al het idee van volmaaktheid verwierpen. De natuur streefde alleen maar naar evenwicht; volledige chaos, maar ook volledige orde zou het einde beteken, zo meenden zij.
Tegelijk waren andere Griekse filosofen in Zuid-Italië bezig met een heel ander wereldbeeld, namelijk van een kosmos met stabiel evenwicht en harmonie, gebaseerd op wiskunde en logica, zonder ruimte voor beweeglijk evenwicht. Dat heette gewoon voort te vloeien uit de menselijke geest, die met meetkunde, wiskunde en logica wel degelijk volmaakte orde kon scheppen, en ook handhaven. De natuur leek alleen maar onvolmaakt omdat de mensen het niet goed konden zien. Het idee won veld dat je de wereld beter kon doorgronden door er zuiver over te denken, dan door ernaar te kijken. In dat wereldbeeld was dus geen plaats voor evolutie en verandering. Plato vond dat de wereld buiten onze zintuigen volmaakt moest zijn, en dat die wereld dus het werk moest zijn van een volmaakte schepper, die de zaken logisch en wiskundig aanpakte. Die schepper werd een paar eeuwen later geleverd door het christendom, en die verklaarde ook nog dat de foute dingen in de menselijke samenleving het gevolg waren van ongehoorzaamheid aan God de Vader. Leven naar Gods wetten zou tot volmaaktheid kunnen leiden, en dat gaf dus hoop. God had de wereld compleet met planten, dieren en mensen geschapen, en sindsdien was er niets veranderd.
Jezus verkondigde gelijkheid voor allen, inclusief de vrouwen, maar toen een paar eeuwen later de heilige geschriften geselecteerd en herschreven waren, was het christelijke wereldbeeld geheel aangepast aan de mannelijke heerserscultuur van het Romeinse en Byzantijnse Rijk. Duizend jaar lang werd alles verbannen wat niet met dat wereldbeeld strookte, en hadden de priesters het monopolie van de uitleg van Gods wetten. En ze onderwezen alleen mannen en jongens. Alleen in de alchemie bleef een klein vonkje branden van een geloof in een levende natuur.
Tijdens de Renaissance werd de menselijke nieuwsgierigheid weer wakker. De eerste astronoom die de zon weer in het centrum plaatste werd verbrand, maar de tweede mocht al blijven leven. De wetenschap nam een enorme vlucht, en leidde tot een wereldbeeld waarin de natuur werd gezien als een onpersoonlijk, niet-levend mechanisme, dat je met rationeel begrip en wiskunde kon beschrijven en beheersen. Het heelal werd als een mechaniek gezien (modellen ervan zijn bewaard gebleven). Descartes vond dat waarnemen zinloos was, nadenken was voldoende, maar hij presteerde het toch om een gemengd godsdienstig/wetenschappelijk wereldbeeld te leveren, welkom en nodig in die tijd. God, als groot wiskundige en uitvinder, had het kosmische uurwerk gemaakt, en de planten, dieren en mensen daarin verschilden niet wezenlijk van de machines en uurwerken die mensen inmiddels hadden leren maken. Mannen waren Gods favoriete uitvinding en hadden dus een inventieve geest meegekregen, waarmee ze aan vrouwen en dieren leiding moesten geven, net als aan de rest van de natuur. (citaten. Galileï: 'het boek van de natuur is geschreven in de taal van de wiskunde'. Francis Bacon: 'de natuur moet tot dienstbaarheid worden gebracht, tot onze slavin gemaakt'.)
Het wereldbeeld werd mechanistisch en dat bleef eeuwenlang zo. Men gebruikte de reductionistische methode, d.w.z. als je iets wilde begrijpen, moest je het uit elkaar halen. We ontdekten een hele nieuwe wereld. Levende lichamen werden ontleed tot botten en organen, organen tot weefsels, toen cellen, toen moleculen, toen atomen, en dat bleken dezelfde atomen te zijn waaruit de hele kosmos is opgebouwd. De hoeveelheid kennis is onvoorstelbaar geworden en heeft het industriële tijdperk mogelijk gemaakt, met alle voor- en nadelen daarvan (niet alleen nadelen zoals wel eens gesuggereerd wordt).
Heel geleidelijk is het mechanistische wereldbeeld bezig weer organisch te worden. We ontdekten dat er in het heelal niets statisch is. Dat onze planeet voortdurend verandert. We leerden de eigen documentatie van onze planeet over vroegere planten en dieren lezen, idem de eigen documentatie van de mens door de gang van het embryo door vroegere levensvormen. We ontdekten dat zelfs atomen niet vast zijn, maar dansende patronen van materie of energie, waar je niets met zekerheid over kunt zeggen. De vastigheid van ruimte en tijd was door Einstein al opgeruimd.
Na ruim 2000 jaar stak het idee van evolutie de kop weer op in Lamarck en Darwin. Natuurlijke selectie door concurrentie strookte heel mooi met de praktijken van het nog ongebreidelde kapitalisme: uitbuiting en concurrentie waren gewoon natuurwetten, dus goed. Mooi voorbeeld van het verband tussen wereldbeeld en gedrag. Pas later leerden we dat evolutie naast concurrentie ook samenwerking vereist.
Nog in de 19e eeuw dachten natuurvorsers dat er in de evolutie naast natuurlijke selectie ook een streven naar volmaaktheid zat gebakken. Misschien is in die tijd de vrijmetselaarsterm 'tempel der volmaking' in zwang geraakt. Ook de wetenschap geloofde oprecht dat meer kennis alle problemen van onze samenleving zou kunnen oplossen. Dat werd het politieke concept van de 'maakbare samenleving'. Dat geloof is nog steeds niet uitgestorven, ondanks het feit dat de biologen de evolutie hebben leren zien als een reeks van improvisaties, met missers en successen beide, nooit volmaakt. “Als de eerste DNA-achtige moleculen volmaakt waren geweest, dan zouden er waarschijnlijk nu nog steeds alleen maar gistende bacteriën op aarde leven”.
Dit vluchtige stukje geschiedenis is op zichzelf interessant en zeker meer aandacht waard, maar was nu alleen maar nodig om te illustreren dat het menselijk wereldbeeld voortdurend evolueert, door mensen gemaakt wordt, en bepalend is voor menselijk gedrag. Probeert U zich Uw eigen wereldbeeld en levenswijze maar eens voor te stellen als U in het Byzantijnse rijk of in de Middeleeuwen geleefd zou hebben.
Ik ga verder met VRAAG 3 over het hoe van gedragsverandering. Eén antwoord is: 'Houdt Uw wereldbeeld up-to-date, Uw gedragspatroon zal zich vanzelf daaraan aanpassen, want dat is een min of meer automatisch proces'. Voorbeeld: het is nog niet zo lang geleden dat de koning of de keizer in het wereldbeeld van zijn onderdanen figureerde als iemand die je moest eerbiedigen en gehoorzamen, omdat hij door God met gezag bekleed was. Er waren mensen bereid desnoods hun leven voor hem te offeren (= gedrag). Zet daar nu eens naast wat U zelf vindt over de verhouding tussen Uzelf en Beatrix, koningin bij de gratie Gods.
Nog een antwoord: bevorder structuren en stromingen die U gunstig vindt, en opponeer als U ze ongunstig vindt. In dat verband vraag ik o.a. aandacht voor de multinationals. Absolute macht, eenzijdige macht in onze samenleving raakt in toenemende mate gebreideld door tegenmacht, maar dat geldt nog niet voor die paar honderd multinationals in de wereld. Die hebben per definitie doelstellingen die lang niet altijd gunstig zijn in de zin van vraag 1. Hun macht is subtiel, en niet makkelijk herkenbaar, en misschien wel juist daarom nauwelijks gebreideld. Voor iedere nationale wet zijn ze zogenaamd gelijk aan alle andere ondernemingen, maar denk aan hun nagenoeg onbeperkte middelen om op oirbare wijze te lobbyen, verkiezingen en wetgeving te beïnvloeden, denk aan hun macht over wetenschappers, aan hun macht over de media en daarmee over de publieke opinie (als eigenaars en als adverteerders). En als product van dat alles aan hun macht over U als consument. Als in het ene land de wetten te duur of te streng worden, of de lonen en belastingen te hoog, dan wijken ze uit naar landen met zwakkere wetgeving of krachteloze handhaving, en doen daar wat ze in de sterkere landen niet kunnen of mogen doen.
Ik wil ook een lans breken voor het bevorderen van verscheidenheid, voorwaarde voor evolutie. Dus: nog bestaande talen en culturen in stand houden, niet volhouden dat slechts één kerk, of filosofie, of politiek de enig juiste is, zoeken naar het gemeenschappelijke in plaats van afkraken, verschillen niet discrimineren maar appreciëren.
Wat we ook kunnen leren van de evolutie is dat we het idee van volmaaktheid uit ons hoofd moeten zetten. Niets in de evolutie wijst op de haalbaarheid of de noodzaak ervan.
Nog een aanbeveling: onze wetenschap schreeuwt gewoon om synthese en integratie, om generalisten die een en ander doordenken en naar het publiek kunnen vertalen. Maar dan moeten we de illusie van de zg. 'ethisch neutrale' wetenschap opgeven. Daarvoor is onafhankelijkheid nodig, maar hoeveel wetenschappers zijn nog echt onafhankelijk van b.v. ondernemingen, regeringen, defensie, of van financiële middelen die uit het establishment moeten komen? 'Wiens brood men eet, diens woord men spreekt'.
Er is ook behoefte aan een nieuw concept ethisch menselijk handelen. Bijvoorbeeld 'gedrag dat naar onze beste overtuiging gezond is voor onze soort, en tenminste onschadelijk voor andere soorten, voor onze omgeving, en voor onze planeet'. Ik acht het waarschijnlijk dat er religies geweest zijn waar dat concept in zat, bij zg. primitieve culturen, zoals b.v. de Navajo indianen. Denk ook aan Oosterse culturen, die trouwens in mijn hele verhaal onvoldoende aandacht hebben gehad.
Laatste aanbeveling: feminisme bevorderen, maar niet in de zin van 'de vrouw gelijk aan de man', maar 'naar haar eigen aard dezelfde ontplooiingskansen als de man'. Het moet m.i. gunstig uitwerken als we een eind maken aan het buiten spel zetten van de helft van de mensheid. Slot: Ik denk dat het tijd wordt een eind aan het verhaal te breien. Toch nog even een filosofisch zijsprongetje: wij zijn een product van de evolutie, niet de bestuurders ervan. Als wij dus verkeerd handelen, kan je dat ook als product van evolutie zien. Maar wij hebben vermogens gekregen om gedrag te kiezen. Een reactie als 'je kunt er toch geen b... aan doen' is begrijpelijk, maar betekent wel dat wij onze vermogens niet gebruiken. We kunnen op onze vingers narekenen dat wij bezig zijn onze planeet onbewoonbaar te maken. Ik moet denken aan het begrip ‘tijdvenster’ uit de ruimtevaart. Dat is een bepaalde tijdspanne waarbinnen je moet lanceren als je het doel wilt bereiken. Eerder of later lanceren betekent missen. |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
Mail to promeijn@promeijn.nl |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||
![]() |
|||||||||||||