Postmoderne moraal

Piet Romeijn, november 2001

 

Inleiding

Er wordt geklaagd over verval van de moraal. Veel mensen vragen zich af of de samenleving bezig is uit elkaar te vallen. Dat is alleszins begrijpelijk, maar niet terecht. Wat we beleven is wél een ingrijpende verandering van de moraal. Die óók nog zo snel gaat dat zich binnen één mensenleven aanstootgevende dingen ontwikkelen.

 

De opbouw van mijn verhaal wordt ongeveer als volgt: eerst het een en ander over moralen in het algemeen, dan over de begrippen leefwereld en systeemwereld, dan over de wisselwerking tussen mens en samenleving, en tenslotte wat dat alles betekent voor de postmoderne moraal die zich nu aan het ontwikkelen is. Ik heb veel gebruikt uit het boek Postmoderne moraliteit van Harry Kunneman, hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek.

 

Moraal in het algemeen

Voor sommigen is moraal iets heiligs dat van boven komt, anderen vinden dat het alleen maar van belang is of een moraal werkt of niet. Mijn mening zit daar ergens tussenin. Ik gebruik het woord moraal als een strikt neutrale term, die op zichzelf niets zegt over goed of kwaad. Jozef Stalin en moeder Theresa hadden allebei een moraal, een slechte en een goede, maar daar gaat het nu niet over. Ik probeer één bepaalde visie aan U over te brengen die actueel is.

 

Moraal heeft te maken met waarden en normen. Ook met regels en verplichtingen die we niet zelf hebben bedacht, maar die altijd van andere mensen komen. We krijgen als kind moraal toegediend en bouwen de rest op uit onze levenservaringen. Moralen ontstaan uit intermenselijk verkeer. Zonder maatschappelijke context is geen zinnige moraal denkbaar.

 

Iedere moraal vereist een bepaalde discipline, die beperkingen oplegt. Dat lijkt beknotting van vrijheid, maar is juist voorwaarde voor ieders vrijheid. Moreel gedrag verlangt dat je oog hebt voor belangen van anderen. Niet alleen van je naasten, maar van alle anderen. De legitimiteit van een moraal moet altijd gezocht worden op het niveau van de samenleving. De mysterieuze stem die we ‘geweten’ noemen kun je zien als de stem van de samenleving.

 

Kunneman onderscheidt traditionele, moderne en postmoderne moraal, zonder scherpe scheidingen. Globaal genomen is de moderne moraliteit die van de laatste twee eeuwen. Traditionele moralen zijn van oudere datum, maar ze zijn nog steeds werkzaam in onze samenleving. Postmoderne moraal is nu bezig te ontstaan.

 

Moraal kan nog zo fraai bedacht zijn, ze werkt alleen als ze de noodzakelijke eigenschappen heeft. Bijvoorbeeld erkennen dat mensen verschillen en dat je die verschillen niet mag verwaarlozen. Een moraal moet het eigene van ieder individu beschermen, ruimte bieden voor een stuk eigen leven, eigen opvattingen, eigen keuzen. Dat is de beschermende impuls.

 

Maar tegelijkertijd verlangt de samenleving van het individu ook beperkingen van zijn vrijheid. We zijn allemaal onderdeel van een weefsel van netwerken, systemen, instellingen e.d., in de rol van kind, partner, werknemer, patiënt, leerling, consument, staatsburger, uitkeringsgerechtigde, en nog veel meer. Dat weefsel doet iets voor ons en met ons. Het medisch systeem houdt ons gezond, het onderwijssysteem leert ons van alles, het staatsapparaat levert ons bescherming, rechtspraak, faciliteiten, enz. enz. Dat weefsel moet veilig gesteld worden, want ons bestaan is ervan afhankelijk. Dat is de invoegende impuls, die je beweegt om naar die moraal te handelen. Het zal duidelijk zijn dat die twee impulsen op gespannen voet staan, want meer van de ene is altijd minder van de andere. En toch moet de verhouding kloppen, wil de moraal kunnen werken.

 

Invoegen door alleen dwang of dreiging lukt niet, nu minder dan ooit. De betrokkene heeft altijd een minimum aan inzicht nodig, iets als een innerlijke overtuiging, en dan maakt het niet uit of hij lid is van een kerk of van een New Yorkse jeugdbende.. De onderbouwing moet komen van wat Kunneman het ‘narratieve weefsel’ noemt, een stel samenhangende verhalen over de groep, diens herkomst en bestemming, de wereld, het menselijk bestaan e.d. Het kunnen verhalen zijn over Jezus of de Boeddha, maar ook over heroïsche gevechten met andere jeugdbenden, of over een utopische samenleving. Die verhalen zeggen a.h.w. waar het om gaat, wat leven volgens die moraal de moeite waard maakt, en ze bevatten altijd verwijzingen naar ‘goede’ dingen, zoals gelijkheid tussen mensen, solidariteit, rechtvaardigheid e.d.

 

Iedere groep of gemeenschap heeft zijn eigen moraal, dus de variatie is groot. En moralen veranderen ook in de loop van de tijd. De emancipatie van het individu bijvoorbeeld heeft geresulteerd in een geleidelijk sterkere beschermende impuls en een geleidelijk zwakkere invoegende impuls.

 

Een nog steeds bestaand onderscheid is open of gesloten. Moreel gesloten groepen wijzen alle verandering af. Ze claimen absolute geldigheid, dulden geen kritiek op hun verhalen, en kijken op andere moraliteiten neer. Ze berusten op autoriteit, vaak religieus of ideologisch. Ze laten de invoegende impuls het zwaarste wegen, d.w.z. het individu moet méér van zijn eigen vrije ruimte prijs geven.

 

Moreel open groepen berusten op vrijwillige instemming. Hun verhalen staan wél open voor kritiek, en ze laten meer vrijheid aan de groepsleden, dus nu weegt de beschermende impuls het zwaarst. Ze richten zich niet alleen op de groepsleden, maar op alle mensen. Seneca en Cicero deden dat al. De categorische imperatief van Kant geldt ook voor alle mensen. En ook de Franse revolutie preekte voor alle mensen.

 

Kunneman gebruikt een heel aardige metafoor voor die moreel gesloten groepen. Hij vergelijkt hun absolute moraliteit met een theemuts op het hoofd, waaronder de diepere persoonlijkheid van het individu verborgen blijft of weggedrukt wordt. Voor theemutsculturen moet je denken aan orthodoxe geloofsgemeenschappen, bepaalde politieke groeperingen, of andere gemeenschappen waarin vrij denken niet toegestaan is. Ook de New Age beweging kent theemutsculturen.

 

Leefwereld en systeemwereld

 

Die twee begrippen heeft Kunneman ontleend aan Habermas. De systeemwereld is alles wat in onze samenleving gegroeid is aan stelsels, structuren en instellingen op gebieden als economie, politiek, onderwijs, overheid, gezondheidszorg, verzorgingsstaat, rechtspraak, enz. enz. De leefwereld is het domein waarin mensen als privé personen met elkaar omgaan buiten de systemen.

 

Denk aan onderwijsinstellingen, overheidsorganen, zorginstellingen, uitkeringsinstanties, adviesbureaus, sportclubs, banken, multinationals. Met of in die systemen brengen individuen een groot deel van hun leven door, in de rol van consument, werknemer, opdrachtgever, cliënt, patiënt, enz. Ieder systeem heeft zijn eigen moraal, en die is meestal anders dan wat in de leefwereld als moreel beschouwd wordt. De verschillen tussen leef- en systeemwereld zijn zo groot geworden dat we met één alles omvattende moraal niet meer toe kunnen.

 

Ooit was de samenleving helemaal of bijna helemaal leefwereld, en die leverde alle moraliteiten, ook aan het kleine beetje systeemwereld. Sindsdien is de systeemwereld groter, veelsoortiger en complexer geworden, en niet zo’n beetje. Dat wordt bekritiseerd, maar is niet meer weg te denken. Leefwereld en systeemwereld zijn tot elkaar veroordeeld. Ze beïnvloeden elkaar positief én negatief. Ze kunnen elkaar versterken maar ook hinderen. Kunneman noemt dat ‘interfereren’, net zoals in de natuurkunde twee geluidsgolven elkaar soms versterken, soms ook uitdoven.

 

Kapitalisme interfereert met verzorgingsstaat: het levert de middelen, maar beperkt ook de toepassing. Het ziekenhuis interfereert met de patiënten: ze hebben zowel strijdige als gelijklopende belangen. Bedrijf en werknemers hebben elkaar nodig, maar ze hebben ook tegengestelde belangen. Kunneman noemt dat ‘interplexiteit’, samentrekking van de woorden ‘interactie’ en ‘complexiteit’. Hij verwacht dat die interplexiteit nog zal toenemen.

 

Kenmerkend voor systemen is dat ze in principe a-moreel handelen (niet immoreel!). Want hun zwaartepunt ligt op het verwezenlijken van eigen doelstellingen. Hun drijfveren als nut, winst, macht, efficiency e.d. botsen vaak met leefwereldmoraal. De functie van moraal in het medische systeem bijvoorbeeld is een hoofdstuk op zichzelf geworden.

 

Ik vat even samen wat ik tot nu toe heb gezegd:


• Moraal is het cement van de samenleving. Die metafoor impliceert heel aardig dat het kennelijk de bestemming van de mens is om ingevoegd te zijn in een groter geheel, als een steen in een bouwwerk. En tevens dat dat invoegen niet vanzelf gaat.


• In onze samenleving bestaan op het ogenblik minstens drie typen van moraal naast elkaar, traditionele, moderne en postmoderne. Die laatste is een bron van zorg.


• Moralen moeten de kool en de geit sparen, d.w.z. evenwicht bewaren tussen de beschermende impuls (terwille van de mens) en de invoegende impuls (terwille van de samenleving). Dus
: spanning.


• Moreel gesloten gemeenschappen hebben het het moeilijkst met veranderingen, omdat bij hen het evenwicht tussen die twee impulsen extra gaat wringen.


• De samenleving, ooit alleen leefwereld, is nu gesplitst in een leefwereld en een systeemwereld, waarvan de moralen niet zonder meer stemmen. Het oude cement is niet meer geschikt. Het slagwoord is interplexiteit, uiterst complexe interacties mét de systemen en tussen de systemen.

 

Wisselwerking tussen mens en samenleving

 

Vroeger verliep de invoeging van het individu in de samenleving in hoofdzaak via één ‘bedding’ tussen persoon en leefwereld. Dat zijn nu vele beddingen geworden, en wat daarin op de mensen toestroomt is deels a-moreel (niet immoreel!). Het berust niet op levensbeschouwelijke uitgangspunten, maar op economie, politiek, bureaucratie, wet, wetenschap, autisme van organisaties, zelfzorg van de systemen en alles wat nog meer inherent is aan een kapitalistische, door techniek en wetenschap voortgestuwde samenleving.

 

De moderne markt en de moderne staat zijn daar voorbeelden van. De moraliteit van de markt wordt voor het leeuwendeel bepaald door nutsberekeningen en winstmaximalisatie. Zaken als werkgelegenheid, plezier in het werk, of milieurisico spelen alleen maar mee voor zover het negéren ervan het rendement bedreigt. Bio-industrie die het te bont maakt, riskeert kopersstaking bijvoorbeeld. En dat is economie, geen moraal.

 

De moderne staat ligt verder verwijderd van de morele orde dan vroeger. Bestuur bij de gratie Gods heeft plaats gemaakt voor bureaucratische staatsapparaten, waarvan het handelen voornamelijk gericht is op macht, autonomie en eigen voortbestaan. Fraaie verhalen van een handjevol bewindslieden, hoe welgemeend ook, veranderen daar niets aan.

 

Al met al bestaan er op de drempel van de postmoderne samenleving nu drie vormen van moraliteit naast elkaar, bepaald niet zonder spanningen:


• een conventionele, gemeenschapsgerichte vorm, met solidariteit en zingeving door identificatie met de ‘Wet van de Vader’ (zeg maar de moraliteiten ‘van vroeger’),
• een minder conventionele, sociaal-economisch gerichte vorm, die gecentreerd is rond de noties vrijheid en sociale rechtvaardigheid, en
• het begin van een persoonsgerichte vorm, met als kern de individualisering.

 

De postmoderne situatie

 

Sinds decennia staan tegenover elkaar: enerzijds machtig geworden systemen, anderzijds individuen met nieuw verworven ruimte voor eigen verlangens en levensstijl. Op dat toneel is nog steeds moraliteit werkzaam, afgezwakt misschien, voor velen niet meer bevredigend, maar aanwezig. Er bovenop ontwikkelt zich a.h.w. een nieuwe laag, heel anders gekleurd door de systeemwereld. Dat wordt zichtbaar in de voortgaande afbrokkeling van de theemutsculturen, het verzwakken van de gezagsverhoudingen tussen overheid en burger, tussen bestuurders en werknemers in organisaties, tussen ministers en hun ambtenaren, tussen artsen en hun patiënten, tussen deskundigen en leken, tussen ouders en kinderen, en tussen mannen en vrouwen. Wereldwijd vind je sporen ervan in de sinds kort massale protesten tegen de mondialisering b.v.

 

De technische en economische ontwikkelingen gaan hun eigen gang. Levensbeschouwingen en politieke ideologieën hebben er geen vat meer op. Nóch het Onze Vader, nóch de Internationale zijn vertaalbaar in besluiten over b.v. de uitbreiding van Schiphol, de eenwording van Europa, adequate medische zorg, of genetische manipulatie.

 

Verankeringen in morele perspectieven zijn bezig los te laten. Het geloof dat maatschappelijke ontwikkelingen bestuurbaar kunnen blijven met één collectieve moraal is bezig illusie te worden. De grote verhalen verliezen hun geloofwaardigheid.

 

Ik had het daarstraks al over de spanning tussen beschermende en invoegende impuls. De verhouding tussen die twee verandert. De samenleving schenkt het individu tegenwoordig méér vrijheid om van de norm af te wijken, eigen levenswijzen te volgen. Kunneman noemt dat ‘het recht op onafgestemdheid’, anders mogen zijn dan de rest. Dat recht komt o.a. tot uitdrukking in wat Kunneman ‘het vrijgekomen verlangen’ noemt. Vroeger mocht je je verlangens niet uiten, je moest afwachten of je iets kreeg. “Kinderen die vragen worden overgeslagen” (heb ik vroeger nog geleerd). Sommige verlangens mochten zelfs niet eens gevoeld of gedacht worden omdat ze als zondig werden beschouwd (ken ik ook voorbeelden van). Het verlangen mag nu geuit worden, het wordt zelfs gestimuleerd door een machtige consumptiecultuur.

 

Er is begrijpelijke kritiek op de consumptiecultuur, maar die gaat voorbij aan het feit dat de producten erin gaan als koek. Bewijs dat de verlangens diep zitten. Het zijn verlangens naar onbelemmerd eten, drinken, wonen, vrijen, je verplaatsen, enz., die vroeger onderdrukt moesten worden. Opmerkelijk is dat het tegenwoordig zelfs ingebeelde genietingen mogen zijn, in de vorm van speelfilms, pornofilms, video’s, computerspelletjes met ‘virtual reality’ en soapseries op TV. Tegenstanders noemen het een ‘verslindende lawine’, maar je kunt het net zo goed zien als een warm bad waar mensen niet genoeg van krijgen. Tegenstanders zien de plaats van de erotiek in de moderne cultuur als verloedering, voorstanders juichen toe dat seks is ontdaan van schaamte en schuld. Theemutsculturen kunnen de consumptiecultuur per definitie niet anders zien dan als moreel verval.

 

Maar laten we niet vergeten, zegt Kunneman, dat diezelfde consumptiecultuur naast zijn negatieve aspecten ook ruimte geeft aan de eigenheid van het postmoderne individu, ruimte voor het ontwikkelen van een eigen levensstijl en daarbij behorende experimenten. Je kunt met evenveel recht zeggen dat de nieuwe cultuur de particulier overweldigt, als dat de particulier zich die cultuur met graagte toe eigent. Kunneman ziet naast de erkend negatieve ook positieve kanten, kansen op een betere situatie dan nu. Dat zal niet vanzelf gaan.

 

Hij ziet geen brood in pogingen tot restauratie van oude gemeenschapsbanden. Die gaan namelijk voorbij aan het voldongen feit dat naast de leefgemeenschap ook instellingen, bedrijven en organisaties bepalend zijn geworden voor de relaties tussen mensen, en dus voor de moraliteit.

 

Sommige groeperingen gaan aan de haal met één enkel element als panacee voor alles: de gemeenschapszin van de communotaire denkers, de individuele vrijheid van de liberalen, de rechtvaardigheid van de socialisten, de onafgestemdheid van de postmodernen, of de milieuzorg van de Groenen. Kunneman verwacht daar weinig van.

 

We moeten ook afstand nemen van op zichzelf best loffelijke utopieën over een bestaan dat alléén maar door liefde zou kunnen worden bepaald (Fromm) of alléén maar door de machtsvrije communicatie van Habermas. We moeten onder ogen durven zien dat onze ‘vrijgekomen verlangens’ naast positieve ook negatieve kanten hebben, en dat daar geweld en misstanden aan vast zitten waar we oplossingen voor moeten bedenken.

 

Wat feitelijk gebeurt aan interplexiteiten en interferenties laat zich niet wegpraten, verlichten of opheffen. We zullen ze als uitgangspunt moeten nemen. We zullen moeten aanvaarden dat ze niet door één overkoepelende moraal uit de wereld worden geholpen, hoe mooi ook. We willen de waarden achter onze leefwereldmoraal natuurlijk niet prijsgeven. We moeten de afwijkende waarden achter de systemen erkennen als noodzakelijk voor hun functioneren. Want we kunnen niet meer zonder die systemen. We zullen de interferenties dus in elk voorkomend geval, steeds weer anders, tot werkbare verbindingen moeten omvormen, goedschiks of kwaadschiks.

 

Hij bepleit dus geen restauratie, maar nieuwbouw, en wel daar waar het knelt, in het overgangsgebied tussen leefwereld en systeemwereld. Dus niet in het parlement of universiteit, maar in directe, bewust gezochte confrontatie met de systeemeisen. Niet naast, tegenover of boven de systemen, maar in pragmatische interactie ermee.

 

Wat betekent dat? Dat we per geval een werkbaar geheel zullen moeten maken van minstens drie strijdige zaken:

 

(1) de eisen van de organisatie om te kunnen blijven functioneren
(2) de verlangens en verwachtingen van de betrokken individuen
(3) de maatschappelijke taak en verantwoordelijkheid van de organisatie

 

Het zal niet gemakkelijk zijn. Want er zijn intussen nog twee belangrijke kwetsbaarheden bijgekomen die beschermd moeten worden, namelijk (1) de kwetsbaarheid van individuen die nu ruimte hebben gekregen om op hun eigen manier hun leven te leiden (en dat vaak nog moeten leren), en (2) de kwetsbaarheid van het mondiale ecosysteem.

 

Dit alles vraagt om nieuwe manieren van omgaan met zaken als kwetsbaarheid, schaarste, verlangen en geweld. Gezin en leefgemeenschap zijn niet meer toereikend om dat te leren. We kunnen het ook niet naar de politiek afschuiven, want die is zelf een systeem geworden dat eigen voortbestaan nastreeft, met de leeglopende politieke partijen voorop. Het zal zich dus steeds ad hoc moeten afspelen op de plaatsen van de interferenties.

 

We hoeven gelukkig niet alles opnieuw uit te vinden: er gebeurt al het een en ander. Voorbeelden zijn te vinden in hedendaagse organisatietheorieën, inspanningen van consumentenbonden, patiëntenverenigingen, pogingen van overheden om burgers bij hun beleid te betrekken, ombudsmannen, verenigingen voor milieudefensie, mededingingsautoriteiten, voedingsautoriteiten, verenigingen van treinreizigers, privacybescherming, instellingen als Amnesty International, Greenpeace, enz. enz. Ze dreigen vaak zelf systemen te worden, maar hebben in wezen een onmisbare functie.

 

Zo ontstaat in stukjes en brokjes een postmoderne moraliteit. Als een lappendeken, steeds in andere context, zelden of nooit overkoepelend, nooit voor de eeuwigheid, wél vaak met confrontatie en conflict.

 

We mogen er niet op rekenen dat het snel zal gaan. De consumptiecultuur is nog erg sterk en veel systemen zijn nog niet toe aan vragen over rechtvaardigheid, kwetsbaarheid of duurzaamheid. Gelukkig zijn er niet alleen negatieve, maar ook positieve krachten aan het werk. Naast de explosie van technische beheersmacht zien we ook een ongekende culturele hervorming. Het kan best eerst nog erger worden met die dominantie van de systeemwereld. Maar daar staat tegenover dat de grotere individuele vrijheid tegenkrachten zal opleveren in de vorm van individuen met nu vrijkomende potenties aan nieuwe talenten en daadkracht. Het vraagt wijsheid om de positieve en de negatieve kanten van dat vaak verguisde individualisme goed uit elkaar te houden. Tot zo ver Kunneman.

 

Wat vind ik er zelf van?

 

Mijn eerste reactie was: wat heb ik aan zo’n verhaal? Dat is geen oplossing! Weet hij niks beters dan doormodderen? Maar al gauw ging ik toch Kunneman’s pragmatisme waarderen. Ik moet het helaas met hem eens zijn dat het een illusie is om in onze tijd één collectieve moraliteit aan leefwereld én systeemwereld op te kunnen leggen. En het is een even grote illusie dat we de systeemwereld zouden kunnen afschaffen. Alles op zijn beloop laten kan volgens mij ook niet, dus we moeten wat. En ik zie zo gauw geen werkbare alternatieve voor de korte termijn. En ik moet toegeven dat bepaalde zichtbare ontwikkelingen stroken met Kunneman’s denken.

 

Ik maakte kort geleden kennis met het Chinese denken. Dat riep ondeugende gedachten bij mij op over kwaliteitsverschillen met wat wij van onze westerse cultuur gemaakt hebben.

 

Een recensent van Kunneman’s boek noemde het 'contextueel moreel knutselwerk'. Hij kan gelijk hebben, maar ik heb geen bezwaar tegen knutselwerk als het iets oplost. Ik herken een soort analogie met bepaalde postmoderne filosofieën die gaten schieten in de pretenties van de grote, allesomvattende verhalen. Ze zijn fijn om te lezen, en waardevol als streefdoelen en denkgereedschap, maar geen oplossingen van maatschappelijke problemen. Ik hoop dus dat denkers en doeners hun tanden in Kunneman's werk zullen zetten. Ik ken er al één, en dat is toevallig een vrijmetselaar.

 

Op z’n minst vind ik het denkmodel van Kunneman nuttig bij eigen nadenken over sociale kwesties.

Orchids
Pietkoprand
terug

Mail to

promeijn@promeijn.nl

terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug
Home Page E Home Page NL Quilts Lace Glass Engraving Orchids terug terug terug terug terug terug terug terug terug terug terug