Kijk op mensen

Piet Romeijn - februari 2002

 

Sinds ik in de drie Hilversumse loges mijn ‘Beschouwing over Ken Uzelve’ heb gebracht en besproken, is het thema veel in mijn gedachten geweest. Ik ben erover gaan lezen, filosofie, antropologie en psychologie. Dit verhaal is daar een resultaat van.

 

Je kunt natuurlijk het gebod ‘Ken Uzelve’ zonder meer proberen op te volgen, maar je kunt je ook afvragen Waarom eigenlijk? Ik citeer daarom eerst het een en ander uit het boekje Werken met de troffel van Br. Peter Richardus:

 

Waarom vergaren we kennis?
• voldoen aan de menselijke instelling van verwondering en nieuwsgierigheid, en
• voor spiritueel en intellectueel welbehagen

 

Hoe vergaren wij kennis?
• we nemen waar via oog, oor en andere zintuigen
• we registreren mentaal ideeën, personen, ervaringen, informatie enz.
• we toetsen en geven betekenis met behulp van ons referentiekader, ieders privé-bibliotheek van eerder gevormde mentale beelden, ideeën, denkmodellen e.d.

 

Waarom zelfkennis?:
• die is vereist omdat ieder mens zijn eigen referentiekader moet hebben om als meetlat en toetssteen te kunnen gebruiken.
• maar hij kan zijn eigen referentiekader wel gebruiken, maar niet waarnemen. Hij heeft daarvoor de buitenwereld als spiegel nodig, of desnoods als toetssteen. Zonder dat is het niet mogelijk

 

Je hebt dus een ander nodig om jezelf te leren kennen. De psycholoog Piet Vroon zei het in De tranen van de krokodil (p257) op zijn manier:

“Zelfkennis zou er op neerkomen dat iets IN het menselijk systeem UIT het systeem moet stappen om iets over het systeem te kunnen zeggen. Dat is onmogelijk. Vergelijk het met de telefoon: als je thuis jezelf opbelt, krijg je de in-gesprek-toon. We zijn dus aangewezen op theorieën die anderen over ons hebben.”

 

 

Aristoteles zei iets dergelijks toen hij over vriendschap schreef. Je philos (vriend) kan soms als referentiekader fungeren, en aldus aan je zelfkennis bijdragen. Een psycholoog noemt het ‘spiegelen’ als hij een gesprek voert met de bedoeling zijn cliënt inzicht te geven in zichzelf.

 

Deze filosofische oprisping ontstond toen ik mij de vraag stelde “Waarom dit bouwstuk?”. Lang niet altijd heb ik daar een goed antwoord op, maar deze keer kan ik dus antwoorden dat ik U iets aanbied dat U kunt toetsen aan Uw referentiekader en dan kunt aannemen of verwerpen.

 

Wat ik ga vertellen komt uit een boek waarvan ik de titel geleend heb voor dit bouwstuk. Het is geschreven door de Amerikaanse schrijver Robert A. Liston in de 70er jaren. De Nederlandse vertaling is al aan zijn 9e druk toe. In dat boek worden acht grote figuren uit de psychotherapie met elkaar vergeleken. Het gaat mij nu niet om hun therapieën, maar om de mensbeelden die eraan ten grondslag liggen. U zou die bijvoorbeeld als spiegels kunnen gebruiken.

 

Mensbeelden kennen enorm veel verschillende benaderingen: religieuze, filosofische, psychologische, structuralistische, en nog veel meer. Dit bouwstuk beperkt zich tot de psychologische benadering, is dus een beetje eenzijdig.

 

Alle westerse mensbeelden, die de laatste 24 eeuwen in zwang zijn geweest kun je in een van de volgende categorieën onderbrengen:

 

• Het klassieke beeld, waarin de mens in de eerste plaats een redelijk wezen is, ‘animal rationale’. Het accent lag op de rede.
• Of het beeld dat is ontstaan in de joods-christelijke cultuur, waarin God de mens heeft gewild en gemaakt, waarin de mens beeld van God is, en waarin wij onderweg zijn naar ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’
• Of het natuurwetenschappelijke beeld, sedert de 19e eeuw ook het darwinistische, waarin de mens het eindresultaat van de evolutie heet te zijn, niet wezenlijk verschillend van de dieren. (108)

 

De mensbeelden in dit bouwstuk vallen allemaal in de natuurwetenschappelijke categorie.

U zult merken dat alleen al die acht psychologen uit het boek van Liston onderling verschillende mensbeelden hanteren. Natuurlijk kunnen ze het nooit allemáál bij het juiste eind hebben. De schrijver constateert dat ook. Hij vindt dat ieder van hen één aspect, dus steeds maar een déél van de menselijke geest goed heeft gezien en beschreven, en ten onrechte dacht dat hij daarmee het volledige beeld te pakken had. En dat de psychologie daardoor ernstig verdeeld is gebleven. Ik geloof dat hij daar gelijk in had. Denk b.v. aan rechtzittingen waarin bona fide deskundigen vaak tegengestelde visies geven op de geestelijke en emotionele toestand van de zelfde persoon. Het klinkt redelijk dat er behoefte is aan een synthese of een overkoepelende theorie. En mijn persoonlijke mening is dat zelfs dan de psychologie en eigenlijk de hele wetenschap niet in staat is een volledig mensbeeld te scheppen.

 

Van die acht figuren uit het boek van Liston is en blijft Freud (1856-1939) de belangrijkste, ondanks het feit dat hij op een paar punten fout zat. Hij opende voor het eerst een deur naar het onbewuste. Hij veranderde daarmee voorgoed onze kijk op de mens en zijn gedrag, en en passant ook de praktijk van de geneeskunde.

 

We moeten Freud beoordelen als kind van een tijd waarin geweldige doorbraken plaatsvonden in de natuurwetenschappen. Freud zag zichzelf als net zo’n wetenschapper, die gewoon theorieën ontwikkelde als verklaring van waarnemingen, net als zijn collega’s in de fysica. Volgens het beginsel van het behoud van energie b.v. (Helmholtz) zag hij de mens als een gesloten systeem van psychische energie, en hij verdeelde dat systeem keurig in drie compartimenten: Id, Ego en Superego.

 

Het lustgedeelte is het Id, het geweten het Superego, en de persoonlijkheid — het Ego — zit daar tussenin. Het Id wordt gedreven door libido of eros, dat biologisch van aard is. Het Superego, zeg maar het geweten, vertegenwoordigt de wet, de ouders, de samenleving e.d. Het Ego is a.h.w. de bemiddelaar tussen lust en wet.

 

Libido was voor Freud drijfkracht van de hele mens, geestelijk én lichamelijk, maar is door de preutse samenleving volledig in het seksuele vlak getrokken. Zelfs nu nog wordt het woord libido hoofdzakelijk gebruikt voor zin in seks.

 

Sinds Freud zijn er veel verschillende psychotherapieën ontstaan. Gebaseerd op grote en kleine verschillen in hun kijk op de mens. Grofweg worden ze onderscheiden in drie groepen: Freudianen, Skinnerianen, en een tussenweg, de humanistische psychologie of sociale leerpsychologie. Je kunt ze grofweg qua mensbeeld als volgt typeren:

 

De Freudianen baseren zich op de een of andere manier op de mensvisie van Freud, maar ze corrigeren wat ze er fout in vinden, voegen toe wat huns inziens ontbreekt, of ze leggen andere accenten.

 

De zogenaamde ego-psychologen bijvoorbeeld vinden dat Freud te veel nadruk heeft gelegd op het Id als bron van prikkels. Ze zien de mens als veel méér dan de slaaf van overgeërfde instincten, en zien dus veel méér oorzaken van menselijk gedrag dan alleen maar instincten. En, wat ik belangrijk vind, was het groeiende inzicht dat onze psychische persoonlijkheid helemaal niet alleen maar afhankelijk is van onze kinderjaren, maar dat onze vorming ons hele leven doorgaat, dat een mens écht nooit te oud is om te leren.

 

Erikson (1902-1994) is bekend geworden door zijn begrip ‘identiteit’. Termen als identiteitscrisis en ego-identiteit zijn van hem afkomstig. Hij richtte zich speciaal op de problemen van puberteit en adolescentie. Hij beschouwde identiteitsproblemen als pogingen van het Ego om zich te verdedigen tegen het Id onder zich of het Superego boven zich.

 

Adler (1870-1937) beschreef het minderwaardigheidsgevoel niet als iets negatiefs, maar als een fase in ieder mensenleven die van levensbelang is, als een drijfkracht van geestelijke ontwikkeling. Hij maakte wél dezelfde fout als Freud dat hij kenmerken van volwassenen toeschreef aan het gedrag van kinderen. En dat hij net als Freud een theorie presenteerde die het accent legt op de eerste levensjaren, dus weinig ruimte laat voor de mogelijkheid van de mens om permanent te leren. Een grote verdienste is in mijn ogen dat hij aan het begrip ‘minderwaardigheidsgevoel’ een positieve lading heeft gegeven in plaats van een negatieve.

We danken aan Adler een grote uitbreiding van ons psychologisch arsenaal. Hij was de eerste die een reëel alternatief bood voor Freud, o.a. door méér verklaringen te geven van menselijk gedrag dan alleen seksualiteit. Alle latere therapeuten hebben daar profijt van gehad..

 

Karen Horney (1885-1952) had veel kritiek op Freud, en die kritiek werd door vele vakgenoten erkend. Ze bood een eenvoudig, begrijpelijk maar gezond alternatief voor Freud. Ze degradeerde seks en biologische instincten en promoveerde de inbreng van cultuur in de geest van de mens. Ze heeft waardevolle inzichten geleverd in neurosen en neurotisch gedrag.

 

Carl Rogers (1902-1987) is de therapeut van de cliëntgerichte, niet-sturende therapie. Hij ontwierp eerst zijn methode, de theorie kwam later. Zijn methode wordt toegejuicht en is de meest toegepaste, maar zijn theorie wordt bekritiseerd. Dat maakt in wezen weinig uit, want zijn stellingen en uitgangspunten zijn even onbewijsbaar als die van alle anderen. Bovendien beginnen we ons steeds minder te bekommeren om bewijzen in menselijke zaken als deze. Omdat de 19e eeuwse verafgoding van de natuurwetenschappen aan het afnemen is.

 

Rogers gaat uit van aangeboren goedheid van de mens. Therapie beoogt die vrij en bruikbaar te maken. Dat kunnen mensen alleen maar zelf doen. De therapeut moet daar het geschikte klimaat voor verschaffen, met wat hij noemt ‘onvoorwaardelijke positieve aandacht’. Hij beweert dat elk redelijk, open en liefhebbend individu therapeut kan zijn. Denk maar aan een zgn ‘goed gesprek’ met een vriend, dat soms meer zoden aan de dijk zet dan een professionele therapie.

 

De mens is in Rogers’ visie geen dier dat in bedwang moet worden gehouden, maar een wezen dat een evenwichtig, realistisch, zichzelf en anderen verheffend gedrag kan verwerven. Als dat een keer niet lukt, moet de therapeut het gebeuren kunnen beschouwen door de ogen van de patiënt. Het gaat dan niet inhoudelijk om de feiten, maar hoe de betrokkene ze ziet en interpreteert.

 

Ik moet U zeggen dat de mensvisie van Rogers naar mijn gevoel dicht bij de waarheid zit, althans bij mijn waarheid. Ik heb al eens eerder een bouwstuk geleverd met een stelling dat je een ander z’n tempel niet voor hem kunt bouwen. Je kunt hem op z’n best steentjes aanreiken, maar hij kan alleen zelf metselen.

 

De Skinnerianen hebben eigenlijk geen boodschap aan de psyche van de mens. Hun theorie is dat je mensen (net als dieren) kunt leren of afleren wat je maar wilt, goed of slecht. Ze noemen dat instrumenteel leren of operant leren. Die theorie begon ooit met de ontdekking van de voorwaardelijke reflex van Pavlov. De theorie staat bekend als behaviorisme (behavior = gedrag)

Volgens die theorie worden mensen geconditioneerd door stimuli die positief of negatief bekrachtigd worden door beloning of straf. Een loltrapper in de klas krijgt positieve bekrachtiging door de bijval van zijn klasgenoten en negatieve bekrachtiging door de straf die hij krijgt. In tegenstelling tot de inzichttherapieën interesseert het de Skinneriaan niet waaróm iemand iets doet. Hij wil alleen maar weten wát iemand doet.

 

Het blijkt een levensvatbare benadering te zijn. De Skinneriaanse therapie heeft bewezen gedrag effectief te kunnen veranderen. De fundamentele moeilijkheid is dat ie buiten een inrichting moeilijk te gebruiken is, en in mensenogen vaak vergeleken wordt met het africhten van een dier. En de vraag is ook ‘wie moet de regulateur zijn?’ Liston beschrijft een genezing van anorexia nervosa op pag. 70

 

Skinner zelf propageert de toepassing van zijn leertheorie in het beleid tegen ongewenst maatschappelijk gedrag, criminaliteit b.v. (72) Piet Vroon schrijft gedetailleerd over operant leren in zijn boek Wolfsklem. Volgens hem zou b.v. een 100% ‘lik-op-stuk beleid’ aan alle verkeersdelicten een eind maken.

 

Tot nu toe heb ik het gehad over inzichttherapieën en leertherapieën. In de 20e eeuw ontwikkelde zich een derde weg er tussenin, met als pionier Abraham Maslow (1908-1970). Hij keek niet meteen naar de zieke mens, maar eerst naar de gezonde mens. Hij onderzocht waardoor geslaagde mensen slaagden, en met die kennis zocht hij naar wat er mis ging met mensen die niet slaagden.

 

Daaruit rolde zijn bekende hiërarchie van fundamentele menselijke behoeften. Volgens hem zijn die aangeboren en instinctief. Ze beïnvloeden de mens overal en altijd. Cultuur kan zo’n behoefte wel verdringen, maar niet doden. Bevrediging of niet-bevrediging van zo’n behoefte heeft veel te maken met ziek of gezond zijn.

 

In de visie van Maslow heeft de mens van nature de behoefte niet alleen te worden wat hij kán zijn, maar wat hij móet zijn, het beste van zichzelf te maken. Die weg gaat via de bevrediging van een reeks behoeften:

 

• Meestal eerst de lichamelijke behoeften, voedsel, onderdak, slaap, seks e.d., behoeften om het leven instand te houden.


• Dan de veiligheidsbehoeften. Kinderen die behoefte hebben aan een vaste lijn en aan eerlijkheid. Volwassenen die orde en stabiliteit zoeken.


• En last but not least de behoeften aan liefde, en de behoeften om ergens bij te horen. Die worden sterker naarmate de eerste twee groepen van behoeften bevredigd raken. De behoefte aan liefde impliceert zowel het geven als het ontvangen van liefde.

 

Volgens Maslow werkt onze cultuur niet altijd mee. Hij geeft de naam Jonascomplex aan onze neiging om aan onze eigen mogelijkheden te twijfelen en ze ongebruikt te laten. We kiezen liever het veilige dan het mogelijke. Bijvoorbeeld dwarsbomen we onszelf door mannelijkheid gelijk te stellen met agressiviteit, liever dan met tederheid en vriendelijkheid. We hinderen onszelf ook door eerder het vertrouwde dan het vreemde te zoeken.

 

Maslow kwam met een theorie van neurose en geestesziekte die zowel het toppunt van eenvoud is als het volmaakt tegengestelde van Freud. Geestelijke afwijkingen komen niet voort uit onvermogen om lichamelijke behoeften te bevredigen, zoals Freud zei, maar uit het bevredigen daarvan terwijl hogere menselijke behoeften als liefde, schoonheid, uitdaging, groei en zelfvervulling verwaarloosd worden.

 

Volgens Maslow zijn vrees en schuldgevoel fundamentele oorzaken van geestesziekte, maar dan niet het Freudiaanse type van bang zijn voor mening en afkeuring van anderen, maar het schuldgevoel dat wordt veroorzaakt door onvermogen om trouw te zijn aan jezelf en eigen mogelijkheden te zoeken. Maar dat schuldgevoel kan anderzijds ook weer nuttig zijn als het de persoon stimuleert sterker te streven naar zelfontplooiing.

 

Van het Superego van Freud zeggen de Maslow-therapeuten dat het niet het meedogenloze irrationele wezen is als bij Freud, maar een rationele kracht die werkt aan de ontplooiing van karakteristieken die alleen de mens heeft. Want zij zien de mens als een hoger dier met een hogere aard, wiens geluk en gezondheid ligt op het gebied van plicht, verantwoordelijkheid, zelfvervulling, en wie weet wat nog meer menselijke potenties.

 

Het mensbeeld van Maslow was een product van de tijdgeest van de zestiger jaren, toen velen geloofden dat een vrije ontplooiing van het in essentie goede in de mens een enkele reis heilstaat zou betekenen. De therapeutische gekte daarvan en het navelstaren zijn verdwenen, maar de Maslow theorie van de behoeftebevrediging is van blijvende waarde gebleken.

 

De achtste figuur in het boek van Liston is Viktor Frankl. Zijn theorie berust op ontdekkingen die hij als volleerd psychiater deed in de concentratiekampen waarin hij gevangen zat in de Tweede Wereldoorlog. Hoe konden sommigen het overleven? Ik doe hem onrecht door als antwoord alleen maar zijn citaat van Nietzsche te herhalen “Wie een waarom heeft om voor te leven, kan bijna elk hoe verdragen.”

 

Frankl zegt dat we een wil tot zingeving hebben, niet als secundaire, maar als primaire kracht. Zijn visie is verwant aan Rogers en Maslow. Leed en ziekte van de mens ontstaan als hij ervoor kiest om die wil tot zingeving en zijn persoonlijke waarden te dwarsbomen. De mens heeft niet een leven zonder spanning nodig, maar juist het moeizaam streven naar een doel dat hem waardig is. Verantwoordelijkheid is de ware essentie van het menselijk bestaan. Ik moet helaas veel weglaten van een zienswijze die ik erg bewonder. Sinds ik Frankl heb gelezen vind ik het minder vreemd dat ikzelf het leven als een vaak moeilijke klus beschouw.

 

Uit de psychologie hebben we nu mensbeelden gezien die variëren van een pessimistische visie op de mens als wezen dat nauwelijks het dier overstijgt, tot anderzijds de visie dat de mens gezegend is met alles wat nodig is om een gelukkig en waardevol leven te leiden. Als je wilt, kun je dat zien als een blijk van culturele evolutie. Ik ben zo vrij om het zo te zien.

 

Misschien is dit bouwstuk voor U aanleiding om het boek van Liston zelf te gaan lezen. En misschien zal dan, net als bij mij, de vraag opkomen “allemaal leuk en aardig om mijzelf te leren kennen met anderen als een soort spiegel, maar hoe leer ik de andere mens kennen?”. Dat bracht mij ertoe mij te verdiepen in de hermeneutiek. Ooit was dat een techniek om oude teksten te interpreteren, maar inmiddels heeft het zich ontwikkeld tot een universeel principe. Toepassing van dat principe helpt om te gaan beseffen dat ‘de mens verklaren’ iets heel anders is dan afzonderlijke mensen verstaan. Geen overbodige weelde in deze tijd. Als het mij lukt om dat in een korte, begrijpelijke vorm te gieten, kom ik hierop terug.

 

Hopelijk bent U het met mij eens dat dit een interessant en nuttig verhaal was. Toch is het maar een heel klein stukje op de weg naar Ken Uzelve. De psychologie laat ons weliswaar in de diepte van onszelf en onze medemens kijken en laat ons iets begrijpen van hoe, wat en waarom we doen wat we doen, waarom we gelukkig of ongelukkig zijn, enz. enz. Maar onder die diepte zit nog méér. Laten we vooral niet vergeten dat de psychologie een product is van de typisch westerse wetenschappelijke benadering van de mens. Er zijn ook nog andere benaderingen.

 

Al sinds mensenheugenis is gedacht en gezegd dat ons individuele ego, product van ons kennen, kunnen, denken en ervaren, van onze rol in de gemeenschap, en van wat anderen over ons denken, enz. enz. nog steeds niet ons ‘ware zelf’ is. Dat zit dieper.

 

Net als de wereld om ons heen verandert ook ons psychologische profiel in de loop van de tijd, op lange termijn, maar ook binnen één mensenleven. Velen kunnen terecht zeggen dat ze na twintig jaar een ander mens zijn geworden. Maar in die diepste diepte zit nog steeds ons ware zelf, en dát leren kennen is andere koek. Daar naar zoeken gaat de psychologie vér te boven, en is naar mijn smaak de essentie van spiritualiteit in wat voor vorm ook.

 

Ik heb een vermoeden dat inzicht en acceptatie van dat ware zelf een essentiële stap is richting gemoedsrust, bevrijding van zorg en angst, zelfstandig denken en handelen, en nog wat van die wenselijkheden. Zelfs doelbewust zoeken alléén werkt al positief. Misschien kom ik daar later nog eens op terug.

 

(Voor iedere psychologische term in het Engels zijn er vier in het Grieks en veertig in het Sanskriet (Peter Russell)

Pietkoprand
terug

Mail to

promeijn@promeijn.nl

terug
terug
terug
terug
terug
terug
terug terug terug terug terug terug terug