Wegen naar het licht Piet Romeijn, februari 2000
Ik ga het hebben over mythologie en godsdienst. Niet over de inhoud ervan, maar over hun functie als wegen naar het licht. Het wordt een verhaal van ongeveer drie kwartier schat ik. Omdat er nogal veel verschillende zaken worden aangeroerd, denk ik dat het misschien nuttig is als ik héél in het kort even zeg wat de rode draad in mijn verhaal wordt:
1. De mythen van de wereld vertonen uiterlijk enorme verschillen, maar ze bevatten diep zittende elementen die wel degelijk vergelijkbaar zijn, en ook van alle tijden zijn. Die elementen hebben biologische wortels. Ze zijn dus in ieder mens van nature ingebouwd.
2. Mensen die die diepe elementen bewust ervaren, gebruiken termen als het Licht zien, Gnosis, Verlichting, Nirwana, God zien, het Al kennen, en nog veel meer. Die ervaringen zijn lang niet voor iedereen weggelegd. En ze zijn moeilijk in concrete woorden uit te drukken.
3. De vele manieren waarop mythologieën worden uitgedrukt in verhalen, erediensten, ikonen, moraliteiten, kunstvormen e.d. berusten op metaforen. Die zijn per volk en per tijdperk cultureel bepaald en dus verschillend. Metaforen en historische feiten worden niet altijd goed uit elkaar gehouden, met nare gevolgen. Metaforen verliezen vaak hun kracht als de culturen veranderen.
4. Het verschil tussen mythologieën en godsdiensten is slechts gradueel.
5. Er is behoefte aan nieuwe mythologie, met nieuwe metaforen die nu niet meer één volk of cultuur, maar de hele wereldbevolking moeten aanspreken en bedienen.
-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-
Dit is — in telegramstijl — wat ik heb gedistilleerd uit het werk van Joseph Campbell en enkele anderen. De zaken worden dus bekeken door de bril van de antropologie, de studie van de mens in al zijn lichamelijke en geestelijke aspecten. Ik geloof dat het goed is om meteen al te stellen dat het mij in de eerste plaats te doen is om handen en voeten te geven aan onze kreet ‘wegnemen wat scheidt en bevorderen wat vereent’, dus niet om gevestigde geloofsopvattingen in diskrediet te brengen. En in de tweede plaats om te concluderen dat er vele wegen naar het Licht mogelijk zijn.
Campbell leefde van 1904 tot 1987. Hij heeft als antropoloog zijn leven lang studie gemaakt van mythologie in alle werelddelen. In het bijzonder de eigenschap van alle mythologieën dat ze altijd een bovenlaag hebben van onderling sterk verschillende uitdrukkingsvormen, maar altijd ook een diepe onderlaag, met wél vergelijkbare, tijdloze, diep-fundamentele thema’s.
De Duitse antropoloog Adolf Bastian, had voor die twee lagen de namen elementaire ideeën en etnische of volksideeën bedacht, en Campbell nam die benamingen over. Elementaire ideeën zijn praktisch onveranderlijk, etnische ideeën zijn uitwerkingen ervan, en zéér veranderlijk. Als geheugensteuntje deel ik een schema uit dat ik ooit eens gemaakt heb.Ik ga eerst in op de etnische ideeën, de bovenlaag dus. Het zijn altijd plaats- en tijdgebonden uitwerkingen van elementaire ideeën. Dát maakt mythologieën zo verschillend. Elementaire ideeën zijn voor dagelijks gebruik ongeschikt, dus er is altijd transformatie nodig, naar begrijpelijke verhalen, ikonen, erediensten, rituelen, zeden, gewoonten, enz. En onvermijdelijk dus altijd ook metaforen.
Ik geef een paar voorbeelden:
• elementaire ideeën over de Kosmos, en de plaats van de mens daarin, resulteerden in etnische ideeën over de invloed van zon en maan op mensen. Denk aan de zonnecultus van de farao Echnaton, of aan de Inca cultuur, of aan de astrologie. En ze resulteerden ook in etnische ideeën over leven in harmonie met de natuur, onder de hoede van moeder aarde, met vrouwelijke godinnen en vruchtbaarheidsriten en -symbolen. Maar tegelijkertijd in andere culturen ook over leven met mannelijke goden, met heel andersoortige riten en symbolen.
• Elementaire ideeën rond het begrip Tijd en Duur resulteerden in etnische ideeën over een eeuwige kringloop van zich herhalende universums (India), maar ook tot godsdiensten met een lineair verlopende tijd, met een begin en een einde (christendom, islam)
Ik zei al dat etnische ideeën altijd metaforen nodig hebben om uitgedrukt te kunnen worden. Een metafoor is een vergelijkingsbeeldspraak. Voorbeeld: als je wilt overbrengen wat de kameel betekent voor het leven in een woestijn, dan heb je een heel verhaal nodig, maar je bent meteen duidelijk als je de metafoor gebruikt van het schip van de woestijn. Niemand zal dan aannemen dat je het over een echt schip hebt, want het is genoegzaam bekend dat dat niet kan. Zo’n metafoor zal dus niet zo gauw letterlijk worden genomen, maar voor veel mythen is dat minder vanzelfsprekend. Metaforen en symbolen zou je technisch verschillend kunnen definiëren, maar voor dit verhaal mag je ze gerust even over één kam scheren.
Campbell geeft een definitie van de metaforen in mythologieën: “het zijn op het gemoed werkende symbolen, zodanig zichtbaar gemaakt door rituelen, vertellingen, gebeden, feesten e.d., dat alle leden van de groep of cultuur geacht kunnen worden ze verstandelijk én gevoelsmatig te bevatten, en aldus aangespoord worden ermee in harmonie te leven”. (p119/120)
Van iedere mythe droegen de metaforen altijd het stempel van het tijdperk, de cultuur en de omgeving waarin ze zijn ontstaan. Een land zonder bergen heeft geen mythen met iets als de berg Sinaï of de berg Ararat. Een woestijnvolk zal metaforen hebben met kamelen en waterbronnen, en een eskimovolk met sneeuw en ijsberen. Een weldoorvoed volk schept andere mythen dan een hongerlijdend volk. Een voorbeeld uit de moderne tijd is de cargo-cult van de Papoea’s op Nieuw Guinea, ontstaan in de Tweede Wereldoorlog. Daar worden nog steeds beelden vereerd van de vliegtuigen die in de Tweede Wereldoorlog kostelijke dingen uit de bovenwereld kwamen brengen.
Maar de wereld verandert, daarmee ook de culturen, en daarmee ook de oorspronkelijke zeggingskracht van de metaforen. En dan wordt het gevaar van letterlijk nemen reëel. Voorbeeld: in sommige scheppingsmythen begint de wereld met een ei, of een fabeldier. De primitieve mens, niet gehinderd door natuurwetenschap, voor wie zon, wind, regen, seizoenen e.d. allemaal bovennatuurlijke verschijnselen waren, zal er weinig moeite mee hebben gehad om metaforen te aanvaarden. In onze huidige cultuur is dat ondenkbaar. We zouden zo’n verhaal alleen maar belachelijk vinden. Dus: metaforen kunnen versleten raken, en dan moeten er nieuwe komen, die wél in de cultuur passen. Want de onderliggende elementaire ideeën blijven wél dezelfde. Ze hebben alleen maar etnische ideeën nodig die in onze tijd begrijpelijk zijn.
Etnische ideeën zijn typisch het gebied van historici, etnologen, theologen, cultureel-antropologen of sociologen. Maar elementaire ideeën zijn typisch voer voor psychologen. Campbell vindt op dat punt het werk van Carl Gustav Jung (1875-1961) het meest verhelderend en het diepst van inzicht. Wat Bastian ‘elementaire ideeën’ had gedoopt, noemde Jung ‘archetypen van het collectief onbewuste’. Hij schoof ze uit de sfeer van het verstand naar dezelfde onderbewuste diepte waaruit dromen ontstaan. (9)
Zoals de psyche van de dromer de metaforen van diens droom van het moment bepaalt, zo levert de psychologie van een volk de metaforen voor mythologie. Een volk dat er een eigen samenhangend stel mythen en metaforen op na houdt, wordt een culturele monade genoemd. In zijn boek De ondergang van het avondland onderscheidde Spengler acht grote monaden van wereldomvattende betekenis sinds ongeveer 4000 jaar vC. Die kenden allemaal al een schrift, maar er ging een onafzienbaar lange periode aan vooraf van schriftloze samenlevingen, van nomadische jagers tot gevestigde landbouwers, elk met hun eigen mythologie, steeds gebaseerd op de plaatselijke geografie, planten- en dierenwereld, en cultuur. (10/11)
Mondelinge overlevering van generatie op generatie zorgde vanzelf dat de metaforen in de pas bleven met cultuurveranderingen, en dus zeggingskracht behielden, maar schriftelijke vormen gingen min of meer een eigen leven leiden, ze verstarden, emigreerden, werden dogma’s, een soort ‘eeuwige waarheden’, enz. De drie monotheïstische godsdiensten zijn daar voorbeelden van. Denk aan de enorme cultuurveranderingen sinds ze hun metaforen kregen.
Campbell noemt een paar metaforen als voorbeeld (59), ik citeer: “in de aanhef van het Onze Vader is de aanroeping ‘Onze Vader die in de hemelen zijt......’ metaforisch, want wat men wil aanroepen is in werkelijkheid geen mannelijke ouder, het is zelfs helemaal geen menselijk wezen. De betekenis ervan is tevens psychologisch, want de woordkeus suggereert een relatie, en een samenstel van menselijke gevoelens als die van een kind voor zijn vader, terwijl er ook een duidelijk transcendente of metafysische betekenis in besloten ligt, die inhoudt dat de aangeroepen ouder niet van deze aarde is, maar van de eeuwigheid. Hij is 'in de hemelen', wat onze huis-tuin-en-keuken-uitdrukking is voor een morfogenetisch veld” (Einde citaat).
Een volgens Campbell gelijkwaardig gebed zou net zo goed gericht kunnen worden tot 'Onze Moeder, die in of onder de Aarde zijt'. Er zijn trouwens veel meer culturen geweest met een moedergodin dan met een vaderlijke god. Campbell noemt die twee gelijkwaardig, in de zin dat ze allebei hetzelfde elementaire idee uitdrukken. Je zou dat idee met evenveel recht als Jahweh, Allah, Isis, Ishtar, Mazda, of opperbouwmeester kunnen omschrijven.
Op dezelfde manier ontleedt hij ook nog een paar andere metaforen, b.v. die van de Maagdelijke Geboorte (61), de Zondeval (62), de Verlossing (62) en het Beloofde Land (63). Ik citeer nu een klein stukje letterlijk uit Campbells boek Mens, mythe en metafoor (p59):
“In de populaire nachtmerrie van de geschiedenis, waarin lokale mythische beelden niet als metaforen maar als feiten worden opgevat, zijn verwoestende oorlogen uitgevochten tussen de aanhangers van dergelijke tegengestelde wijzen van metaforische weergaven. De bijbel wemelt van de voorbeelden. En vandaag de dag (1984-1985) bestrijden in de eens zo fraai stad Beiroet, de rivaliserende zeloten van drie verschillende interpretaties van nota bene hetzelfde idee van één enkele vaderlijke ‘God’ elkaar te vuur en te zwaard. De vraag is dan ook: wat heeft zulke stamgebonden letterknechterij onze moderne wereld, met haar interculturele, wereldwijde perspectieven (waarin alle begrenzingen steeds meer wegvallen) anders te bieden dan ellende? Het is allemaal een gevolg van het verkeerd interpreteren van metaforen, het verwarren van letterlijke en figuurlijke betekenis, van boodschapper en boodschap” (einde citaat)
In de NRC van 20.11.1999 stond een interview met de bekende pater Schillebeeeckx. Uit zijn letterlijk weergegeven uitspraken citeer ik twee stukjes, omdat die zo mooi stroken met wat Campbell zegt:
Door ze verkeerd uit te leggen worden metaforen leugens, en verliezen ze hun functie van het opwekken van zicht op verhevener zaken, aldus Campbell (p.60). Want dáár komt het op aan, en zo komen we bij die onderlaag van alle mythologieën, de elementaire ideeën. Voorbeelden daarvan zijn het idee van een kosmische orde, hoe chaos tot kosmos werd, de rol van de mens in de kosmos, de scheiding tussen hemel en aarde, de natuur als moeder van alles wat leeft, of als schepping door vader God ten behoeve van zijn kinderen, enz. enz.
Campbell vergelijkt zijn elementaire ideeën met de archetypen van Jung. Het verschil is alleen dat de een antropologische termen gebruikt, en de ander psychologische. Archetypen zijn ideeën, beelden en symbolen die uit het collectieve onbewuste voortkomen. Anders gezegd: het zijn in beeldvorm uitgedrukte oerproblemen van de mensheid. (die term heb ik uit het boekje van René. van Helsdingen).
Voorbeelden van archetypen: de Moeder (in diverse gedaanten, goede en boze), de Vader, demonen, natuurkrachten, het kwade, maar ook wel getallen en geometrische figuren (denk aan de mandala b.v.) We kennen ze in hoofdzaak uit onze dromen, en ze hebben een belangrijke functie in de psychotherapie.. Ze hebben altijd betrekking op elementaire ideeën, maar het interpreteren ervan is moeilijk. Ze worden zelden bewust, maar dán worden ze sterk beleefd, bijv. in een religieuze extase, maar ook bij ziekten, als er iets fout gaat in de menselijke ziel. In de visie van Campbell en Jung komen mythen en dromen uit dezelfde bron, t.w. de menselijke verbeelding, die op zijn beurt gedreven wordt door biologische driften in de mens
Campbell noemt ze bio-energieën. In zijn visie horen ze tot de essentie van het leven zelf. En ze zijn menselijkerwijs gesproken onveranderlijk. Homo sapiens sapiens is namelijk de laatste 40.000 jaar niet noemenswaard veranderd. Dezelfde driften zijn ook in dieren werkzaam, maar daar leiden ze tot stereotiep en ‘automatisch’ levensgedrag per soort. Bij de menselijke soort moeten ze ingetoomd worden, omdat ze anders gevaarlijk en destructief kunnen worden, getuige alleen al de verwoestende oorlogen van de 20e eeuw. Die driften waren de drijfveren achter de ontwikkeling van de oermens tot de historische mens. Ze worden in bedwang gehouden door de morele systemen die die mens tijdens die reis ontwikkelde
De eerste en meest elementaire drift is de onwetende vraatzucht van het leven, dat zich moet voeden met ander leven. Een milde vorm is het kind dat zich laaft aan de moeder. Denk aan het simpele biologische feit dat alle dierlijk leven zich alleen maar kan handhaven door ander leven te vernietigen. In nachtmerries uit die drift zich in de vorm van de mensenetende monstervrouw of reus, figuren die ook in sprookjes voorkomen. Dionysische orgieën konden uitlopen op extatisch groepsgewijs verscheuren en verslinden van een levende stier. Denk ook aan allerlei rituele dodingen van levende wezens, als offer of in ritueel kannibalisme. Het kost waarschijnlijk niet veel moeite om een Spaans stierengevecht als een rite te beschouwen.
De tweede oerdrift, nauw verbonden met de eerste, is de seksuele, levensverwekkende drift. Die kan in jonge mensen zo sterk zijn, dat hij zelfs die eerste drift overvleugelt.
Een derde drijfveer, waarschijnlijk jonger dan de eerste twee, is de zucht tot veroveren en onderwerpen. Hij is in ieder geval werkzaam sinds ongeveer 2300 jaar voor Christus. Er is reden om te veronderstellen dat hij vóór die tijd niet of nauwelijks werkzaam was. Er is misschien verband met de overstap van matriarchale naar patriarchale culturen op het oostelijk halfrond rond diezelfde tijd.
Als symptomen van die veroveringsdrift citeert Campbell verhalen uit de opdracht van Jahweh in Deuteronomium, waarvan je de haren te berge rijzen (p.12/13). Vergelijkbare verhalen zijn ook bekend over Indra bij de Indische Ariërs, en Zeus en Ares bij de archaïsche Grieken. Zeus b.v. was toen nog geen pater familias van een godenfamilie, maar alleen oorlogsgod. Zelfs Christus en Maria zijn als schutspatroon gebruikt voor levenvernietigende legers, o.a. door Spanje en Frankrijk in de Middeleeuwen. In de 4e eeuw voor Christus gold in India de simpele Wet van de Vissen: 'de groten eten de kleintjes, en de kleintjes moeten talrijk zijn, en snel'.
Het is niets nieuws: zolang er leven op aarde was en is, werkt de triade voeden, verwekken en veroveren als drijvende kracht, soms meer, soms minder ingetoomd. Het staat goed om daar negatief over te doen, maar je sluit dan je ogen voor harde biologische feiten. Campbell spreekt dus terecht over intomen en niet uitbannen, want uitbannen is een illusie.
Campbell geeft een mooie beschrijving van de chakra's, denkbeeldige centra in en om het ruggenmergskanaal (67). In de yoga-filosofie zijn dat zetels van menselijke eigenschappen, en hij vertaalt de bloemrijke symboliek van de onderste drie chakra's heel knap in de bio-energieën waar hij het zelf over heeft. Hij toont daarmee tevens aan dat de Indiase mythologieën veel spiritueler zijn gebleven dan de westerse, en dáárdoor meer zeggingskracht hebben behouden. Dat zou best wel eens een verklaring kunnen zijn voor de toenemende belangstelling in het westen voor Indiase wijsheden.
De natuur doet zelf ook al iets aan het intomen van die oerdriften, in de vorm van een vermogen tot genade, empathie of medegevoel. Dat kwam pas later in de evolutie te voorschijn. Het is al een beetje zichtbaar bij hogere zoogdieren, b.v. in het spel met en de zorg voor de jongen. De mens heeft dat vermogen het sterkst, en het is niet uitsluitend op de eigen soort gericht, maar in principe op alle levende wezens. In tegenstelling met de veroveringszucht is dit een duidelijk positieve impuls. Toen ik hierover nadacht stuitte ik weer eens op de paradox dat mensen holocausts en genocide bedrijven, en tegelijkertijd een ongekende empathie in praktijk brengen met het lijden van andere mensen. Denk aan de wereldwijde hulpacties bij natuurrampen.
Het is opmerkelijk dat priesters en profeten er heel lang op uit zijn geweest om die positieve impuls binnen de eigen monade te houden, maar die negatieve geweldimpuls juist naar buiten te richten. Binnen de monade heet het b.v.: ‘Gij zult niet doodslaan’ en ‘Gij zult niet begeren Uws naasten vrouw’. Maar buiten de monade heet het: 'En gij zult alles wat mannelijk daarin is, slaan met de scherpte des zwaards. Behalve de vrouwen, kinderen en het vee, die gij als buit voor U zult roven' (over het land Kanaän, (Deuteronomium 20:13-14).
Ik ga terug naar de elementaire ideeën in de mythen. Wie die bewust ervaart, heeft wat Campbell ‘een religieuze beleving’ noemt. Elders heet dat ‘het Licht zien’, ‘gnosis bereiken’ of iets dergelijks. Campbells uitvoerige beschrijving van die beleving komt ongeveer op het volgende neer: de elementaire idee heeft zijn basis in de psyche; de etnische idee in de lokale situatie en geschiedenis. Er is sprake van hiërofanie (verschijnen van iets heiligs) als via een lokaal landschap, voorwerp, gebruik, rite o.i.d. een archetype of elementair idee wordt weerspiegeld. Het object krijgt dan een sacrale of mystieke lading.
Een religieuze beleving komt tot stand als er een rechtstreeks besef van het geopenbaarde wordt gevoeld (106). Campbell noemt dat besef ‘identificatie’. Maar in de algemene praktijk blijft het meestal beperkt tot een gevoel van verbondenheid, zoals dat bijvoorbeeld bestaat bij een katholieke familie die trouw en regelmatig de mis bijwoont.
Op pag. 70 beschrijft hij zo’n mystieke ervaring in de terminologie van de chakra’s. Dan heet het de weg naar het ‘onbegrensde absolute’. Hij citeert dan een uitspraak van Ramakrishna, dat die weg zo moeilijk is dat ‘zij die God liefhebben, maar liever niet te veel moeten leren over die methode’, m.a.w. genoegen moeten nemen met dat gevoel van verbondenheid. Voorlopig is dat ook mijn weg, want — zoals ik aan het begin al zei — een religieuze beleving à la Campbell is niet voor iedereen weggelegd.
Volledigheidshalve haal ik ook Han de Wit er even bij. De Wits vocabulaire is weer psychologisch. Wat wel Verlichting wordt genoemd, wordt door hem geduid als ‘fundamentele menselijkheid’, momenten waarop het egocentrische perspectief — dat normaliter ons leven bestuurt — tijdelijk verdampt is. De mens is dan even boven zichzelf uitgestegen, vrij van vooringenomenheid, illusies, intellectuele zekerheden e.d. Voor de Wit mogen daar best mythologieën of godsdiensten aan te pas komen, maar dat hoeft niet. Hij noemt ook andere wegen, oefeningen bijvoorbeeld.
Ik hoop dat ik hiermee die korte statements aan het begin wat verduidelijkt heb. Wat vind ik er zelf van? Ik heb geen moeite met het gedachtegoed van Campbell en Jung voor zover ik dat meen te begrijpen. Voor mij verklaart het o.a. wat mensen tot zoekers maakt, iets wat ik mij lang heb afgevraagd.
Maar ik blijf met vragen zitten. Campbell stelt dat de mensheid zou moeten leren door al die mythen en religies héén te kijken en zich zou moeten richten op spirituele beleving van elementaire ideeën. Ik ben dat hartgrondig met hem eens, en ik ben ervan overtuigd dat dat veel zou wegnemen van wat mensen scheidt, maar ik zie het als een onbereikbaar ideaal. Helemaal als ik Ramakrishna’s gezegde erbij betrek dat het rechtstreeks beleven van die elementaire ideeën zo moeilijk is dat velen tevreden moeten zijn met secundaire verbondenheid. Ik ben één van die velen, maar ik ben er niet tevreden mee. Ik kom mooie uitspraken tegen als deze: “Geloof, hoop en liefde steunen op iets anders dan de ratio, sterker nog: vereisen terughoudendheid in de drang om te analyseren en expliciteren”. Maar mijn probleem is dat ik dat analyseren en expliciteren niet kan laten, dus ik blijf vragen en zoeken.
Campbell verwacht dat er vroeg of laat nieuwe mythologieën of godsdiensten zullen ontstaan. Die zullen nieuwe metaforen met universele zeggingskracht voor de hele wereldbevolking bevatten. Hij sluit zelfs niet uit dat dat al aan het gebeuren is. Mijn vraag is: Zal dat ieders Verlichting dichterbij brengen? Zal dat die gewelddadige oerdrift verder intomen? Enz.
Ik wil graag nog even een filosofische opmerking kwijt: bij het lezen en nadenken over dit bouwstuk werd ik mij er steeds sterker van bewust dat taal bepaald geen objectief medium is. Als ik dit verhaal verteld zou hebben in uitsluitend de taal van de psychologie, of de theologie, of de antropologie, of in het vocabulaire van de vrijmetselarij, dan is de kans reëel dat niet iedereen meteen dóór zou hebben dat het steeds hetzelfde verhaal is.
Hoe dan ook, ik vind dat ik goed zit bij de vrijmetselarij. Want daar kan ik in vrijheid blijven zoeken en de aangeboden metaforen en symbolen naar eigen smaak gebruiken. En dat ook nog in samenspraak met gelijkgestemde zoekers. En of ik het Licht vind of niet, ik leen even een gezegde uit het Taoïsme: de weg is belangrijker dan het doel. -------------------------------------------------------------
Bronnen: |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
Mail to promeijn@promeijn.nl |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||