LIEFDE volgens FROMM Piet Romeijn, oktober 2001 Erich Fromm leefde van 1900 tot 1980. Hij leefde in Duitsland tot 1934, daarna in Amerika en Mexico. Hij studeerde filosofie, psychologie en sociologie, later ook psychoanalyse. Hij is actief geweest als filosoof, psychotherapeut en schrijver. Hij doceerde aan enkele universiteiten. Ik zal proberen in weinig woorden zijn mensbeeld te schetsen, als achtergrond. De natuurwetten gelden voor alles wat leeft, ook voor de mens. Maar door zijn zelfbewustzijn wordt het bestaan van de mens niet helemáál door de natuurwetten bepaald. De mens ‘ondergaat’ zijn bestaan niet, zoals de dieren, maar moet het voltrekken. Voor hem is het leven een opgave, die slagen of falen kan. Hij is daar zelf verantwoordelijk voor. Dat betekent dat de vormgeving van ons leven méér wordt bepaald door karakter, en minder door instinct, zoals bij andere dieren. Karakters verschillen, mensen dus ook. Bovendien is de mens biologisch gedetermineerd als een sociaal dier. Hij heeft dus twee soorten van behoeften: sociale behoeften, als biologisch gegeven, maar ook persoonlijke behoeften, als een individueel gegeven. Natuurlijk is er spanning tussen die twee. Die spanning is de bron van b.v. sociale veranderingen en van maatschappijkritiek, maar ook van dilemma’s als je over je eigen leven nadenkt. Mensen kunnen verschillende levenshoudingen hebben, en op grond daarvan handelen ze dan verschillend. Maar, hoe dan ook, volgens Fromm behoren in elke levenshouding redelijkheid en liefde centraal te staan. Intelligentie is natuurlijk ook belangrijk voor het handelen, maar de rede is gericht op beschouwing en bezinning. Daarom is de rede typisch menselijk, want alleen de mens vraagt naar de zin van zijn bestaan. Liefdevolle relaties zijn een teken van volgroeide menselijkheid. En zo zijn we aangekomen bij mijn onderwerp. De Winkler Prins noemt liefde ‘een van de meest inhoudrijke en tegelijk ontoereikende woorden van de Nederlandse taal’. Er zijn niet veel thema’s waar méér over gesproken, geschreven en gezongen is. Er zijn namelijk vele soorten van liefde, naastenliefde, liefde tussen man en vrouw, erotische liefde, enz. Een paar ervan komen straks aan de orde. Ooit leefde de mens in volmaakte eenheid met de natuur, niet vrij, maar onbezorgd. Uit die eenheid is de mens verdreven. Hij werd tegen wil en dank op de weg naar individuatie gezet. Je kunt het paradijsverhaal uit de bijbel zien als een symbool daarvan. Sindsdien is de mens tot vrijheid gedoemd, zou Sartre zeggen. Fromm heeft interessante dingen gezegd over angst voor die vrijheid, maar dat is een verhaal apart. Nu is alleen van belang dat die biologisch gedetermineerde behoefte aan tussenmenselijke ver-eniging zich in de moderne tijd duidelijker kenbaar maakt dan vroeger. (niet ‘vereniging’, maar ver-eniging, je één voelen met). Het bestaan van die behoefte is al lang bekend. Hij werd al bij de oude Grieken geformuleerd als sympatheia, de neiging dat mensen graag meningen, gevoelens en gedrag willen delen, zich met elkaar één willen voelen. En voor Adam Smith b.v. was het een bestanddeel van die ‘onzichtbare hand’ die een ideale samenleving zou kunnen opleveren. Als rechtgeaard tijdgenoot van Newton zag Smith die behoefte als een natuurwet, en vele biologen geven hem daarin nu gelijk. Je zou kunnen zeggen dat Fromm die behoefte nu ook psychologisch heeft onderbouwd. Je kunt het een beetje vergelijken met de eerste levensfase van een mens. Bij zijn geboorte is die tussenmenselijke ver-eniging totaal, met de moeder. Alles is zeker, de liefde, de zorg, het bestaan en wat je maar wilt. Zo moet de oermens ooit in harmonie met de natuur om zich heen hebben geleefd. Maar naarmate het kind opgroeit, wordt het zich bewust van zijn alleenheid, van zijn isolement. Het zal die eenzaamheid willen en moeten doorbreken door éénwording met medemensen. Niet iedereen is zich van die behoefte bewust, maar hij is er wel. In onze moderne samenleving wordt die behoefte sterker, als bijwerking van de individualisering en de atomisering van de samenleving. ‘Iedereen wil zichzelf zijn, maar toch niet alleen zijn’. Er werd en wordt door mensen van alles gedaan om aan isolement te ontkomen. Ook dat is een verhaal apart. Van Fromm's antwoord op die behoefte aan ver-eniging is liefde volgens zijn concept een voorname component. Maar naar mijn smaak heeft het concept ook al genoeg waarde in zichzelf.. De verklaring van zo even is best interessant, maar U mag die wat mij betreft vergeten. Fromm's boek erover heet Liefhebben, een kunst, een kunde. Het is iets dat je kunt leren. Maar je hebt er meer dan alleen verstand voor nodig. Het is niet iets dat je cadeau krijgt, en ook niet iets dat je overkomt. Je mag het ook niet verwarren met ons aller even oeroude wens om bemind te worden. Liefde à la Fromm is een levenshouding, een attitude, maar ook activiteit, arbeid. En niet op één of meer personen gericht, maar op alles en iedereen. Het is vóór alles geven. Niet in de eerste plaats geven in materiële zin, maar geven van het meest wezenlijke dat een mens geven kan, namelijk van zichzelf, van zijn eigen leven. Natuurlijk offert hij niet letterlijk zijn leven, maar hij geeft wat in hem leeft, hij laat de ander deel hebben aan zijn vreugde, zijn verdriet, zijn kennis, zijn begrijpen, zijn belangstelling en zijn medeleven. En hij doet dat niet met een bepaald doel, maar omdat het geven hem een voldoening is. Er gebeurt dan iets waaraan beide partijen vreugde beleven. Liefde wordt dan het vermogen tot wekken van liefde. Als twee mensen een 'goed gesprek' hebben gehad, dan is er in twee richtingen gegeven en ontvangen. Als dit bouwstuk op de een of andere manier bij U aanslaat, is er tussen U en mij tweerichtingsverkeer geweest. Als U dit herkent, voelt U iets aan van de stelling dat liefde à la Fromm meer dan een verstandelijk concept is. En ook dat geven à la Fromm iets is dat niet verarmt, maar verrijkt. Fromm citeert hier Karl Marx: Elke verhouding van U tot de mens en tot de natuur moet een bepaalde uiting zijn van Uw werkelijk individuele leven. Als Uw liefhebben als zodanig geen wederliefde doet ontstaan, dan is Uw liefde onmacht, ongeluk Fromm verwijst ter illustratie naar plaatsen waar op soortgelijke wijze geven tot ontvangen wordt: de leraar leert van zijn leerlingen, de acteur wordt gestimuleerd door zijn publiek, de psychoanalyticus wordt geanalyseerd door zijn patiënt, steeds op voorwaarde dat partijen elkaar niet als objecten behandelen, niet als middel maar als doel. Natuurlijk komt het geven van liefde op deze manier je niet aangewaaid. Het is bijvoorbeeld nodig dat je je redelijk hebt bevrijd van afhankelijkheidsgevoel, maar ook van overdreven machtsgevoel, en ook van de neiging om anderen te gebruiken of te kwetsen. Er is ook een soort moed voor nodig, en vertrouwen. Wie bang is om zichzelf te geven, is ook bevreesd om lief te hebben zegt Fromm. Het modebegrip 'kwetsbaar opstellen' heeft hier maar gedeeltelijk mee te maken, want daar zit soms een element van onderwerping in. Geven is dus hoofdkenmerk, maar er zijn nog meer kenmerken, namelijk zorg, verantwoordelijkheid, respect en inzicht. Het element zorg zit wel het duidelijkst in de liefde van de moeder voor haar kind, maar b.v. ook in liefde voor dieren of planten. Als je de zorg wegdenkt is er geen sprake meer van liefde. Mooi gezegd: 'Liefde à la Fromm is de daadwerkelijke bezorgdheid voor het leven en de groei van wie of wat je liefhebt'. Er is ook geen liefde zonder verantwoordelijkheid, in de betekenis 'in staat en bereid zijn tot antwoorden op de al dan niet uitgesproken behoeften van een medemens'. En dan moeten we in de eerste plaats denken aan psychische behoeften. En die verantwoordelijkheid moet berusten op vrij handelen, niet door iemand anders opgelegd, of omdat het in je contract staat. Op de vraag van Kain 'ben ik mijn broeder's hoeder?' antwoordt de liefhebbende mens dat het leven van zijn broeder niet alleen zijn broeder aangaat, maar ook hemzelf, dat hij zich voor zijn medemensen verantwoordelijk voelt. Klinkt mooi, maar ik weet nog hoe we in de problemen kwamen toen we in mijn loge die vraag van Kain concreet probeerden te beantwoorden. Het is niet zo simpel als het lijkt. Verantwoordelijkheid zou gemakkelijk kunnen ontaarden in bazigheid of overheersing zonder het derde kenmerk respect. Dat is niet vrees of ontzag, maar eerbied voor de ander zoals hij is, respecteren dat hij zich ontplooit op zijn eigen manier, om zichzelfs wille, en niet zoals ik zou willen. Respect kan alleen maar bestaan vanuit de vrijheid van beide betrokkenen. Het is onmogelijk een mens te respecteren zonder hem te kennen. Zorg en verantwoordelijkheid zouden blind zijn als ze niet werden geleid door kennis en inzicht. En ons kennen zou leeg zijn zonder belangstelling voor de ander. Wanneer ken je iemand? In plaats van de psychologische analyse van Fromm geef ik een citaat van Paracelsus, ook uit het boek van Fromm: Hij die niets kent, heeft niets lief. Dat zijn dus de kenmerken die Fromm toeschrijft aan zijn concept van liefde. Een 'rijpe' persoonlijkheid heeft daarvan een bepaalde melange verworven. Hopelijk (en noodzakelijk) heeft hij ook eventuele dromen van almacht en alwetendheid opgegeven, en zich een bepaald soort ootmoed verworven. Fromm noemt een aantal misverstanden over zijn concept. Liefde à la Fromm is nooit exclusief op één of enkele personen gericht. Het is een instelling, een attitude. Ten onrechte menen velen dat zijn concept een object van liefde nodig heeft, maar dat is niet zo. Het is ook niet waar dat het vanzelf komt als je de ware Jacob maar vindt. Die ware Jacob roept wel iets wakker, maar dat is een van de andere soorten van liefde, waarin wél sprake is van ‘objecten’ van liefde. De universele en existentiële behoefte aan ver-eniging van de mens wordt volgens Fromm slechts door één nog sterkere behoefte overtroffen, namelijk het verlangen naar ver-eniging tussen de mannelijke en de vrouwelijke polen van alle levensvormen. Aan de liefde tussen man en vrouw schrijft hij dezelfde kenmerken toe als aan de liefde à la Fromm, alleen nog een beetje sterker, vanwege die biologische drijfveer die erbij komt. Hij geeft daar diepzinnige filosofische, religieuze en poëtische beschouwingen over. Aan de liefde tussen ouders en kind wijdt hij een hoofdstuk apart, heel interessant. Moederliefde is onvoorwaardelijk, vaderliefde is voorwaardelijk. Te verstaan als ideaaltypen, die beide in verschillende doseringen in de vader én in de moeder aanwezig zijn. Van vaderliefde is negatief dat ze moet worden verworven, maar positief dat het kind ervoor kan werken. Van moederliefde is negatief dat ze op geen enkele manier kan worden verdiend of verworven. Ze bestaat of bestaat niet. Maar, àls ze bestaat, is ze onvoorwaardelijk. Beide soorten liefde zijn onmisbaar voor de ontwikkeling van het kind. Een evenwichtig mengsel van die moeder- en vaderliefde is voorwaarde voor de geestelijke gezondheid van ieder mens. Het altruïstische en onzelfzuchtige karakter van moederliefde heeft gemaakt dat die de hoogste vorm van liefde en de heiligste van alle emotionele bindingen wordt gevonden. Het summum ervan wordt bereikt als de moederliefde niet alleen aanvaardt, maar zelfs bevordert dat het opgroeiende kind tenslotte van haar gescheiden wordt. Naastenliefde: ligt volgens hem ten grondslag aan alle andere vormen van liefde. Ik vind in zijn boek geen duidelijk verschil met zijn eigen concept, alleen noemt hij dat een activiteit, en naastenliefde een soort ‘natuurlijk’ gevoel dat er normaliter altijd is. Naastenliefde ontspringt aan de liefde tot de hulpeloze, de arme, of de vreemdeling, zoals die in de bijbel gepreekt wordt.. Erotische liefde. Die is juist wèl exclusief, op één persoon gericht. Maar hij wordt nog wel eens verward met 'falling in love', plotseling verliefd worden op iemand die je niet of nauwelijks kent. Houdt niet altijd stand als de gelieven elkaar eenmaal hebben leren kennen. Moet ook niet verward worden met de seksuele drift. De romantische kreet 'wij beminnen elkaar, laat de rest van de wereld barsten' heeft niets met liefde à la Fromm te maken. Het is een vorm van 'egoïsme met z'n tweeën'. Als de zelfliefde aan de orde komt, gaat Fromm voor het eerst fulmineren, bijvoorbeeld tegen de wijdverbreide opvatting (van Luther en Calvijn o.a.) dat het deugdzaam is om anderen lief te hebben, maar zondig om jezelf te beminnen, of - nog gekker - dat hoe meer je jezelf liefhebt, hoe minder je anderen liefhebt, en dat zelfliefde identiek is met zelfzucht. Hij gebruikt de bijbel, de logica en de psychologie een hoofdstuk lang om te betogen dat de liefde à la Fromm precies evenveel op jezelf van toepassing moet zijn als op alle andere mensen. Hij geeft o.a. een lang citaat van Meister Eckehart uit de Middeleeuwen over God en de mens, dat als volgt eindigt: “Aldus is het goed gesteld met zulk een mens, die zichzelf liefheeft en alle mensen even lief als zichzelf. Met zulk een mens gaat het werkelijk goed.” Of, zoals ik in mijn loge eens heb horen zeggen, 'Je kunt niet van een ander houden als je niet van jezelf houdt'. Zelfzucht en zelfliefde zijn dus twee tegengestelde dingen. Zelfzuchtige mensen kunnen inderdaad andere mensen niet liefhebben, maar zichzelf ook niet. Ik moet U zeggen dat het even geduurd heeft voordat ik mij deze conclusie eigen gemaakt had. Tenslotte de liefde tot God. Fromm is daar uitvoerig over. Hij geeft een knappe verhandeling, die theologische twistgesprekken omzeilt doordat hij uitsluitend psychologische termen gebruikt. Om te beginnen stelt hij dat de liefde voor God in wezen niet verschilt van de door hem beschreven liefde. Beide ontstaan uit dezelfde behoefte tot ver-eniging, alleen nu niet met andere mensen, maar met God. Heel knap trekt hij parallellen met de liefde tussen ouders en kind, waarin de matriarchale godsdiensten de moederliefde vertolken, de patriarchale godsdiensten de vaderliefde, en de mensheid een ontwikkeling als die van kind tot volwassene doormaakt. Volgens Fromm heeft het leven geen andere zin dan die welke de mens er zelf aan geeft, en dat kan hij alleen maar doen tezamen met andere mensen. Het doel van religie moet dus niet zijn het rechte geloof, maar het rechte handelen. Over het primaat van het doen vindt hij steun bij Indische en Chinese beschouwingswijzen. Hij wijdt een hoofdstuk aan wat hij noemt de pathologie van de liefde in de moderne westerse samenleving, en aan de goede en kwade kanten van het kapitalisme. Ik ga daar niet op in, behalve door de constatering dat alles wat hij bij het verschijnen van zijn boek in 1956 aan verschijnselen signaleerde en voorspelde, door de tijd ruimschoots is bevestigd. Over de vraag hoe je de liefde à la Fromm kunt leren zegt hij dat er geen recepten of cursussen voor bestaan. Het is even moeilijk als het leren van iedere andere kunst of kunde. Ik zei al eerder dat het méér dan alleen maar een verstandelijk concept is. Fromm noemt een paar aanvullende psychologische voorwaarden: De belangrijkste is dat de mens zijn narcisme moet hebben overwonnen, de eigenschap dat hij alles wat hij ervaart en waarneemt, alleen maar kan ervaren in termen als ‘bruikbaar of onbruikbaar voor zichzelf’. (vrouw die de dokter onmiddellijk op bezoek wil hebben. Als de dokter uitlegt waarom dat niet kan, zegt ze "ik begrijp er niks van, ik woon slechts één blok verderop"). De tegenpool van narcisme is objectiviteit, het vermogen om mensen en dingen te zien zoals ze zijn, ongehinderd door bestaande voorstellingen. Het helpt al als je je bewust bent van de situaties waarin je niet objectief bent. Liefhebben eist geloof en wel redelijk geloof, dat geworteld moet zijn in eigen denken en voelen, niet in dat van andere mensen of instanties. Zulk geloven eist moed, de kracht om te wagen, de bereidheid om ook leed en teleurstelling te aanvaarden. Wie bemind wil worden (en wie wil dat niet?) heeft moed nodig. Wie zijn overtuiging handhaaft, ook als die impopulair is, moet geloof en moed bezitten. De mens die bang is dat men hem niet liefheeft en zal afwijzen, is meestal bang dat hij niet kan liefhebben. Dit onderschrijf ik uit eigen ervaring. Tot zover mijn weergave van het concept van Fromm. Wat vind ik er zelf van? Het spreekt mij sterk aan, maar als een streven, als een doelstelling waarvan je moet aanvaarden dat je die zelden helemaal zult halen. Het lukt mij niet om consequent volgens dit concept te leven. Ik schiet vaak tekort, en soms dubbel, omdat ik dan ook mijn falen niet aanvaard.
BRON: Erich Fromm: Liefhebben, een kunst, een kunde, ISBN 9061315549 |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
Mail to promeijn@promeijn.nl |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||